vrijdag 3 april 2026

Presteren goede studenten slechter door AI?

Een recente studie van de Universiteit van Aarhus onderzoch hoe generatieve AI (GenAI) de prestaties van studenten beïnvloedt tijdens het oplossen complexe. slecht omschreven problemen. Een slecht omschreven probleem is een taak waarbij het doel niet altijd duidelijk is en waarvoor geen eenduidige oplossing is. 

Aan de studie deden 141 studenten mee. De studie onderzocht de impact van GenAI op de prestaties van deze studenten tijdens een business case-examen  met daarin diverse slecht omschreven problemen. Studenten werden willekeurig ingedeeld in een controlegroep en een groep met toegang tot GenAI (ChatGPT-4). 

Studenten in de controlegroep (zonder GenAI) bleven presteren zoals verwacht: studenten die bij de start onderpresteerden, bleven achter, terwijl studenten die bovengemiddeld scoorden, hun prestaties konden behouden. 

De resultaten in de experimentele groep (met GenAI) toonden echter een opvallend patroon: studenten die bij de start onderpresteerden (een score van 5 of lager op de eerste taak) verbeterden hun scores significant wanneer ze met GenAI mochten werken. Daarentegen zagen studenten die bij de start bovengemiddeld scoorden, hun scores juist dalen.

De onderzoekers constateren dat door het gebruik van GenAI de verschillen tussen boven- en onderpresteerders sterk verkleind worden: beide groepen komen uit op een vergelijkbaar niveau. Dit wordt door de onderzoekers verklaard door wat zij cognitieve belasting inversie noemen: onderpresteerders ervoeren minder cognitieve belasting omdat GenAI complexe taken voor hen overnam, terwijl bovenpresteerders juist werden gehinderd door de omvangrijke en plausibel klinkende output van de chatbot. De tijdsdruk van de toets maakte het voor studenten bovendien onmogelijk om de GenAI-output goed te evalueren of te integreren in hun eigen antwoorden. De onderzoekers vergelijken hun bevinding met het bekende expertise reversal effect (de bevinding dat beginners baat hebben bij ondersteuning, terwijl het contraproductief kan zijn voor experts).\

We zien hier dus een paradox: technologie die bedoeld is om te helpen of je leerproces te ondersteunen, kan zo maar een obstakel worden. En waar die obstakels vaak het grootst zijn voor de meest kwetsbare studenten, zien we hier een voorbeeld hoe technologie, in de vorm van GenAI, juist de best presterende studenten kan hinderen in hun leerproces.


Het abstract:

This study investigates how generative AI (GenAI) access impacts student performance in ill-defined, time-pressured business school exams. Through an embedded mixed-methods design combining an experimental study with qualitative interviews, we identify an equalizing effect: low performers improve while high performers decline, resulting in performance convergence. Our qualitative analysis reveals the mechanism driving this convergence—GenAI-induced cognitive load inversion. Low performers experience cognitive load relief by copying chatbot output, thus bypassing the analytical work the task requires. High performers experience cognitive load amplification, struggling to process voluminous output under time pressure, disrupting their analytical processes. We argue that task structure shapes GenAI’s effects in time-constrained situations: the ill-defined nature of our task elicits different cognitive challenges compared to well-defined tasks of prior research, helping reconcile mixed findings on GenAI’s democratizing effects. Furthermore, the findings reveal how traditional assessments fail when GenAI masks performance differences.

zondag 29 maart 2026

Een nieuwe RCT naar AI in het onderwijs: AI-tutoring verslaat actief leren, of toch niet?

Onderzoekers van Harvard voerden een randomized controled trial uit met 194 studenten om te onderzoeken of een AI-tutor studenten beter kan laten leren dan actief leren in de klas. De resultaten toonden aan dat wanneer studenten werkten met een AI-tutor zij significant hogere scores behaalden op de posttests, terwijl ze er minder tijd besteedden aan studeren dan wanneer ze actief leerden in de klas. Daarnaast gaven studenten aan zich meer betrokken en gemotiveerd te voelen. De AI-tutor was in deze studie specifiek ontworpen volgens bewezen didactische principes, zoals stapsgewijze begeleiding, directe feedback en hield rekening met cognitive load. Maar wat betekenen deze resultaten nu precies? En hoe werd de studie precies opgezet?

In deze studie ondergingen studenten beide condities, de AI-tutor én de actieve les,  maar dan in twee opeenvolgende weken. Dit zogenoemde crossover-design zorgt ervoor dat elke student beide condities. Voor en na elke les maakten de studenten toetsen in om de leerwinst te meten. Hoewel beide groepen dezelfde leerstof kregen aangeboden, zat het verschil 'm in de uitvoering: de AI-tutor bood individuele, stapsgewijze begeleiding met directe feedback, terwijl de actieve les draaide om samenwerking aan opdrachten in een klassikale setting. Maar wat zegt dit nu eigenlijk over de echte verschillen tussen deze twee onderwijsvormen?

De resultaten uit deze studie zijn duidelijk: wanneer studenten met de AI-tutor werkten, behaalden ze significant hogere scores op de posttests dan wanneer ze actief leerden in de klas. Met een effectgrootte variërend van 0.73 tot 1.3 standaarddeviaties, laat de studie zien dat de AI-tutor niet alleen beter presteerde dan actief leren, maar dit ook deed in beduidend minder tijd. Ruim 70% van de studenten voltooide de les in minder dan een uur, terwijl de actieve les een vaste 60 minuten in beslag nam. Ook op het gebied van betrokkenheid en motivatie scoorden hoger wanneer ze werkten met de AI-tutor. 

Resultaten van de studie voor posttest scores.


Deze studie is indrukwekkend op papier, maar er zitten toch een paar haken en ogen aan. Ten eerste:Wat wordt er nu precies vergeleken in deze studie? Een zelfstandige, individuele leeromgeving  met stapsgewijze begeleiding, directe feedback en adaptief tempo met een klassikale setting waarin samenwerking en opdrachten centraal staan. Met andere woorden: de auteurs vergelijken tutoring-achtige instructie (een methode waarvan al decennialang bekend is dat ze effectief is) met een klassieke versie van actief leren. Kun je dan zeggen dat AI beter werkt? Of had je dan AI-tutoring moeten vergelijken met tutoring van een docent of een oudere student? Of met een Intelligent Tutoring System?

Ten tweede: het novelty effect. Studenten waren meer betrokken en gemotiveerd. Maar dit was wellicht omdat ze met een nieuwe, hippe tool werkten. Maar hoe lang blijft dat effect bestaan? Zonder herhaalde blootstelling of langdurig gebruik weten we niet of die motivatie en betrokkenheid blijven bestaan als de nieuwigheid eraf is. 

Ten derde: tijdsbesparing betekent niet automatisch dieper leren. Studenten leerden meer in minder tijd, maar dat zegt niets over of ze de stof echt begrepen of alleen maar snel oppikten. De toetsen die de studenten maakten richtten zich volgens de auteurs op "the understanding, applying, and analyzing levels of Bloom’s Taxonomy". Mogelijk matchte dit minder goed met de opzet van de opzet en opdrachten in de actief leren-lessen, die mogelijk beter aansluiten bij de hogere niveau's van de taxonomie.

Kortom: AI is geen magie. Het werkt alleen wanneer het goed ontworpen is. Als je dezelfde principes (stapsgewijze begeleiding, directe feedback, adaptief tempo) in de klas of in een face-to-face situatie toepast, zou het resultaat vergelijkbaar kunnen zijn. En dan is er nog iets wat de auteurs helemaal vergeten te noemen: de prijs van veel directe feedback die de AI-tutor je kan geven. Het is al lang bekend uit de literatuur over Intelligent Tutoring Systems (ITS) dat directe feedback efficiënt kan zijn, maar dat het studenten ook kan belemmeren in het zelf ontdekken en corrigeren van hun eigen fouten. Schooler en Anderson waarschuwden hier in de jaren '90 al voor. Studenten die direct feedback krijgen, leren misschien sneller, maar ze leren óók minder zelfstandig. Ze leren bijvoorbeeld minder goed zelf fouten ontdekken en deze fouten corrigeren.

donderdag 5 maart 2026

AI helpt leerlingen meer wanneer ze ook zelf iets doen, zoals notities maken

Er wordt momenteel over weinig onderwerpen in het onderwijs zo veel gesproken als over GenAI. Aan de ene kant zijn er mensen die zien dat GenAI het leerproces kan versterken: leerlingen kunnen sneller uitleg krijgen, vragen stellen en complexe teksten laten verduidelijken. Aan de andere kant groeit ook de zorg dat leerlingen met GenAI juist minder zelf nadenken en dat dit mogelijk nadelige gevolgen heeft. In de cursus Maatschappelijke vraagstukken: De rol van onderwijstechnologie van onze master Onderwijswetenschappen onderzochten we met studenten ook dit spanningsveld.

Ook een recente studie van Kreijkes en collega’s (2026) onderzoekt precies dit spanningsveld: wat gebeurt er wanneer leerlingen een large language model (LLM) gebruiken tijdens het lezen van een tekst? Helpt dat hen om beter te begrijpen en te onthouden wat ze lezen, of werkt een klassiekere strategie, zoals aantekeningen maken, eigenlijk beter?

De resultaten zijn interessant, en tegelijkertijd ook een beetje ontnuchterend.

Wat onderzochten ze?

De onderzoekers wilden weten wat er gebeurt wanneer leerlingen een large language model (LLM) gebruiken tijdens het lezen van een tekst. Concreet keken ze naar drie manieren van werken:

  1. Aantekeningen maken tijdens het lezen
  2. Een LLM gebruiken om vragen te stellen over de tekst
  3. Een combinatie van LLM gebruiken én notities maken

Daarbij onderzochten ze drie zaken:

  • tekstbegrip
  • retentie van de inhoud van de tekst na enkele dagen
  • betrokkenheid van leerlingen
Aan de studie namen 344 leerlingen van ongeveer 14-15 jaar uit zeven middelbare scholen in Engeland deel. De leerlingen bestudeerden twee historische teksten en werden drie dagen later getest op hun begrip en retentie.

GenAI gebruiken om te leren? Zelf nadenken blijft belangrijk
De resultaten laten een duidelijk patroon zien. Leerlingen die aantekeningen maakten, scoorden het best op zowel begrip als retentie. Leerlingen die alleen een LLM gebruikten scoorden het laagst. De groep die zowel een LLM gebruikte als aantekeningen maakte zat daar tussenin: zij deden het beter dan de LLM-groep, maar het verschil was minder groot dan met de groep die alleen aantekeningen maakte. Met andere woorden: GenAI bovenop een klassieke leerstrategie lijkt wel te helpen ten opzichte van GenAI alleen, maar het maakt de strategie van aantekeningen maken op zichzelf niet beter.

Betekent dit dat GenAI niet werkt?

Nee. Integendeel.

De studie suggereert dat combinaties van strategieën interessant kunnen zijn. LLM’s kunnen bijvoorbeeld helpen om extra vragen te stellen, verbanden te verkennen en nieuwsgierigheid te stimuleren. In de dataset zagen de onderzoekers bijvoorbeeld leerlingen die tijdens een tekst over apartheid plots vroegen naar het levensverhaal van Nelson Mandela, of tijdens een tekst over de Cubacrisis naar de angst voor communisme. Dat zijn vragen die verder gaan dan de oorspronkelijke tekst en mogelijk bijdragen aan dieper begrip of duiden op interesse die werd opgewekt bij de leerlingen.

Wat ook opviel: Veel van prompts die de leerlingen schreven waren gericht op het verkrijgen van aanvullende informatie of dieper begrip. Leerlingen stelden daarnaast vraag verduidelijkingsvragen ("Wat is een sanctie?") of vroegen de LLM vaak om informatie te conderseren. Opvallend was ook dat in slechts zes prompts bleek dat leerlingen de betrouwbaarheid van de output van de LLM betwijfelden. Een klein deel van de prompts was niet gerelateerd aan de leertaak ("Vertel me over Harry Potter"). 

Opvallend was ook dat wanneer de onderzoekers keken naar de overlap tussen de output die studenten genereerden met behulp van de LLM en de inhoud van hun notities, ze moesten constateren dat deze overlap behoorlijk groot was. Bij bijna 1/5 van de leerlingen bevatten de aantekeningen vrijwel alleen letterlijke kopieën van de LLM-output. Dit suggereert dat leerlingen in de LLM+aantekeningen conditie minder zelf aantekeningen maakten, wat mogelijk de effectiviteit ervan vermindert.

Overzicht van de verschillende prompts die leerlingen gebruikten.

Nog een interessant detail: Leerlingen dachten zelf vaak dat het LLM hen beter hielp dan notities maken. Dat staat haaks op hun daadwerkelijke leerresultaten.

Dat is overigens geen nieuw fenomeen. Onderzoek naar leren laat al langer zien dat leerlingen niet altijd goed kunnen inschatten wat hen werkelijk helpt om te leren.

Wat betekent dit voor onderwijs?
Misschien vooral dit: AI kan een nuttig hulpmiddel zijn, maar het vervangt geen cognitieve inspanning van leerlingen zelf. Strategieën zoals: aantekeningen maken, samenvatten, uitleggen in eigen woorden, blijven krachtige manieren om kennis op te bouwen.

En misschien is dat wel de belangrijkste les uit dit onderzoek: GenAI kan leren ondersteunen, maar leren zelf blijft inspanning vragen.

Of zoals een oud onderwijsprincipe het samenvat: als leren te gemakkelijk voelt, is het vaak minder effectief.


Het abstract
Students' rapid uptake of Generative Artificial Intelligence tools, particularly large language models (LLMs), raises urgent questions about their effects on learning. We compared the impact of LLM use to that of traditional note-taking, or a combination of both, on secondary school students' reading comprehension and retention. We conducted a pre-registered, randomised controlled experiment with within- and between-participant design elements in schools in England. 405 students, aged 14–15 years, studied two text passages and completed comprehension and retention tests three days later. Quantitative results demonstrated that both note-taking alone and combined with LLM use had significant positive effects on retention and comprehension compared to using the LLM alone. Yet, most students preferred using the LLM over note-taking, and perceived it as more helpful. Qualitative results revealed that many students valued the LLM for making complex material more accessible and reducing cognitive load, while they appreciated note-taking for promoting deeper engagement and aiding memory. Additionally, we identified “archetypes” of prompting behaviour, offering insights into the different ways students interacted with the LLM. Overall, our findings suggest that, while note-taking promotes cognitive engagement and long-term comprehension and retention, LLMs may facilitate initial understanding and student interest. The study reveals the continued importance of traditional learning activities, the benefits of combining LLM use with traditional learning over using LLMs alone, and the AI skills that students need to maximise those benefits.

maandag 22 december 2025

Wat 70 jaar onderzoek zegt over leraar-leerlingrelaties

Er zijn van ideeën in onderwijs waar je nauwelijks tegenin kunt gaan. Dat een goede leraar-leerlingrelatie belangrijk is, bijvoorbeeld. In ons onlangs verschenen boek schreven we daar ook over. Wie durft te beweren dat die relatie níet belangrijk is? Maar daarom is het des te belangrijker om af te vragen: Wat weten wie hier echt over? Een recente studie van Emslander en collega’s (2025) helpt daarbij.


Geen nieuwe studie, wel een duidelijk overzicht

De auteurs deden een second-order meta-analyse: ze analyseerden 26 bestaande meta-analyses, samen goed voor ongeveer 2,6 miljoen leerlingen van kleuterklas tot het einde van het voortgezet onderwijs. Een Hercules-achtige poging om 70 jaar onderzoek naar leraar-leerlingrelaties samen te vatten. 


Wat zegt dit onderzoek over leraar-leerlingrelaties?

Over die 26 meta-analyses heen blijken leraar-leerlingrelaties consistent samen te hangen met een groot aantal belangrijke leerlinguitkomsten:

  • leerprestaties
  • motivatie
  • gedrag
  • welbevinden
  • betrokkenheid
  • executieve functies
Opvallend: die verbanden zijn voor deze uitkomsten vergelijkbaar. De relatie doet er dus niet alleen toe voor “zachte” uitkomsten zoals welbevinden, maar ook voor academische resultaten.

Bovendien laten de resultaten zien dat leeftijd van leerlingen ertoe blijkt te doen: de samenhang tussen relatie en uitkomsten is sterker in het voortgezet onderwijs dan in het basisonderwijs.

De conclusie? De leraar-leerlingrelatie is geen wondermiddel, maar ook geen bijzaak. Ze vormt een belangrijke voorwaarde van goed onderwijs waarop veel verschillende processen steunen.


Hoe werk je aan een goede leraar-leerlingrelatie?

NRO heeft onlangs twee leidraden gepubliceerd voor het primair en voortgezet onderwijs waarin op basis van onderzoek aanbevelingen worden gegeven voor het stimuleren van goed leraar-leerlingrelaties: 

  1. Zorg voor een persoonlijke band met alle leerlingen.
  2. Creëer kansen voor positief gedrag en interacties.
  3. Ondersteun autonomie en bied structuur.
  4. Reflecteer regelmatig op je relaties met individuele leerlingen.
  5. Voorkom conflicten met leerlingen.
  6. Zorg voor herstel van de relatie.

Abstract

Teacher–student relationships (TSRs) play a vital role in establishing a positive classroom climate and promoting positive student outcomes. Several meta-analyses have suggested significant correlations between positive TSRs and, for example, academic achievement, motivation, executive functions, and well-being, as well as between negative TSRs that result in behavior problems or bullying. These meta-analyses have differed substantially in TSR–outcome relationships, moderators, and methodological quality, thus complicating the interpretation of these findings. In this preregistered systematic review of meta-analyses plus original second-order meta-analyses (SOMAs), we aimed to (a) synthesize the meta-analytic evidence on relations between TSRs and student outcomes, (b) map influential moderators of these relations, and (c) assess the methodological quality of the meta-analyses. We synthesized over 70 years of educational research across 26 meta-analyses encompassing 119 meta-analytic effect sizes based on approximately 2.64 million prekindergarten and K–12 students. We conducted several three-level SOMAs and found that TSRs had similar large significant relations with eight clusters of student outcomes: academic achievement, academic emotions, appropriate student behavior, behavior problems, executive functions and self-control, motivation, school belonging and engagement, and well-being. The link with bullying was only marginally significant. Our moderator analyses suggested a larger TSR–outcome link for middle and high school students. Although more recent meta-analyses fulfilled more methodological quality criteria, these differences were not associated with TSR–outcome relations. These results map the field of TSR research; present their relations, moderators, and methodological quality in meta-analyses; and show how TSRs are equally important for a wide range of student outcomes and samples.

Impact statement
The present systematic review of 26 meta-analyses overviews more than 70 years of research on teacher–student relationships (TSRs). We found that TSRs were associated with crucial student outcomes, such as academic achievement and emotions, motivation, and appropriate behavior. Conversely, TSRs had negative relations with other outcomes (e.g., behavior problems at school). Thus, interventions should focus on improving TSRs and avoiding negative TSRs or aim to further enhance a specific student outcome (e.g., achievement and well-being) through positive TSRs. There seems to be no need to differentiate between female and male students in TSR research and interventions. Yet, students in higher grade levels seem to show larger relations between TSR and outcomes. Ultimately, our findings provide valuable evidence of the importance of TSRs for educational decision-makers and policymakers. Thus, it is central to train teachers to develop positive TSRs to give their students a sense of safety and belonging. This comprehensive and reliable evidence base can help inform policy decisions about the importance of TSRs across student outcomes and TSR-based interventions in teacher education and the classroom.

woensdag 3 december 2025

Herstelden alle scholen even goed van leervertragingen door de pandemie? Nieuw onderzoek geeft verrassend antwoord

Een grootschalige studie uit Duitsland (>200.000 leerlingen, >1000 scholen) werpt nieuw licht op de vraag of scholen met verschillende leerlingpopulaties verschillend herstelden de leerachterstanden die leerlingen hadden opgelopen door de schoolsluitingen tijdens de COVID-19 pandemie.

De onderzoekers bekeken of herstel verschilde tussen scholen met:

  • minder sociaal-cultureel kapitaal,
  • meer leerlingen met migratieachtergrond,
  • langere schoolsluitingen.
De verwachting was dat deze scholen zouden meer moeite hebben met herstel. De opvallende uitkomst: geen groeiende kloof tussen scholen

De data laat zien dat scholen met uiteenlopende profielen een vergelijkbaar patroon van leerwinst lieten zien. De verschillen tussen scholen groeiden dus niet verder door de pandemie.

Dat betekent niet dat er geen leervertragingen waren, die vonden de onderzoekers wel, maar het herstel verliep gemiddeld gelijk op tussen scholen.

Hoe kan dat?
Een verklaring ligt mogelijk in de enorme programma’s die de overheden instelden om de leerachterstanden terug te dringen. Veel leerlingen kregen aanvullende ondersteuning, en middelen kwamen daadwerkelijk terecht in scholen met hogere risico’s. Snelle, doelgerichte interventies lijken hun werk te hebben gedaan. Het goede nieuws is dus dat deze scholen enorm veerkrachtig bleken en dat dit gold voor de meeste scholen ongeacht bijvoorbeeld de leerlingpopulatie.


Abstract

Background
COVID-19-related restrictions on schooling resulted in learning losses, which were larger for socially and economically disadvantaged students. While recent empirical results point towards a recovery of learning loss in some subjects, it is unclear which school-related context factors may have impacted the recovery from the pandemic.

Aims
We investigate proxy indicators for three school factors, (a) socio-cultural composition, (b) proportion of students with migration background, and (c) the duration of school closures, and how they relate to differential learning gains in repeated measures from grade 5 to grade 8 for a pre-pandemic cohort compared to measures in pandemic-affected cohorts.

Samples
We analyzed educational large-scale assessment data, covering all public schools in one German state (total n > 200,000 students, k > 1000 schools). Competence test data in reading and mathematics were available for a pre-pandemic cohort (2015–2019: assessed in 5th grade in 2015 and in 8th grade in 2019) and for two cohorts affected by the pandemic (2018–2022 and 2019–2023).

Results
Difference-in-difference-in-difference analyses showed no significant moderator effects for the three risk factors at the school-level (i.e., socio-cultural capital, proportion of non-German speaking students, lost school days) regarding the recovery from learning losses (i.e., similar learning gains from grade 5 to 8 across cohorts).

Conclusions
The null effects tentatively suggest that the social divide between schools did not widen in the aftermath of school closures. On average, schools seemed to recover from restrictions on schooling regardless of the schools’ social composition.

donderdag 20 februari 2025

Wie voelt zich thuis op de universiteit en wie kan zichzelf zijn?

Als je al een tijd op een universiteit werkt of als je ouders gestudeerd hebben, dan lijkt het misschien een vanzelfsprekendheid dat je je thuis voelt op de universiteit. Maar dat geldt niet voor alle studenten. Een recent onderzoek van de Universiteit Utrecht, gepubliceerd in het British Educational Research Journal, gaat precies in op deze kwestie en onderzoekt het thuisgevoel (sense of belonging) en authenticiteit onder studenten.

De onderzoekers voerden een enquête uit waaraan 4473 bachelor- en masterstudenten deelnamen. Met behulp van structural equation modelling onderzochten ze hoe verschillende factoren, zoals geslacht, etniciteit, ondersteuningsbehoefte, deelname aan extracurriculaire activiteiten, opleidingsniveau van ouders, van invloed zijn op sense of beloning en authenticiteit van studenten.

Het onderzoek onthulde een aantal verrassende inzichten:

  • Mannelijke studenten gaven aan zich meer thuis te voelen.
  • Studenten met een functiebeperking ervoeren een aanzienlijk lagere sense of belonging en authenticiteit in vergelijking met hun medestudenten.
  • Extracurriculaire activiteiten speelden een cruciale rol in het versterken van sense of belonging en authenticiteit van studenten.
  • Studenten die in meerdere minderheidsgroepen vielen, worstelden vaak met zowel sense of belonging als authenticiteit.

Interessant genoeg voorspelden zowel een sterk gevoel erbij te horen als authenticiteit betere studieprestaties. Dit onderstreept het belang van het creëren van een inclusieve omgeving waarin elke student het gevoel heeft zichzelf te kunnen zijn en zich thuis te voelen op de universiteit.


Het abstract

Sense of belonging entails students' comfort level in the classroom and experienced faculty and peer support. A diminished sense of belonging can hamper academic performance. Therefore, it is important to know which student groups may experience weaker belonging and whether these disparities extend to students' authenticity, or perception they can be true to themselves. This survey research examines student differences in sense of belonging and authenticity by gender, sexual orientation, ethnicity, religion, disabilities, extracurricular involvement, parental education, prior education, study year and school. We also examined whether belonging and authenticity were related to students' self-reported academic performance. Our sample (N = 4473) consisted of Dutch undergraduate and graduate students. Data analysis employing structural equation modelling showed that male students felt more comfortable in the classroom and students with disabilities experienced less sense of belonging and authenticity than their peers. Extracurricular involvement enhanced students' belonging and authenticity. Being part of multiple minority groups impaired aspects of students' belonging and authenticity. Sense of belonging and the experienced room for authenticity positively and independently predicted academic performance. We conclude that fostering both belonging and authenticity is crucial for all students, but especially for minority students. We suggest educators foster students' sense of belonging and authenticity, which can enhance academic performance and promote educational equality and opportunities for all students. Stimulating extracurricular involvement or others forms of non-academic participation is promising to contribute to this goal.

zondag 8 december 2024

Boekbespreking: Red het Onderwijs!

In het Donald Duck-verhaal Race naar de Zuidzee uit 1949 proberen zowel Donald Duck als Guus Geluk de verloren gewaande oom Dagobert te vinden. Uiteindelijk vinden ze hem op een afgelegen eiland. Guus wint natuurlijk de strijd, maar wat blijkt? Dagobert wilde juist helemaal niet gevonden en 'gered' worden, hij had zich expres afgezonderd om niet continu gestoord te worden. Woedend schrapt hij Guus Geluk uit zijn testament en laat alles na aan 'verliezer' Donald.

Ik moest aan dat verhaal denken tijdens het lezen van het boekje Red het Onderwijs! Wil 'het onderwijs' (wat dat ook precies mag zijn) wel gered worden? Op boekenwebsite Goodreads schrijft iemand erover: "Dit boek is echt niet wat het onderwijs nodig heeft ... Zoveel quotes die generaliserend zijn of gewoon simpelweg onwaar. Echt zwaar in teleurgesteld." Terwijl ik het boekje uitlees komt een jubelbericht langs van de VO-raad, de vertegenwoordigers van schoolbesturen. De staatssecretaris van Onderwijs is op audientie geweest en heeft benadrukt hoe belanrijk de Raad is ("Ik heb u keihard nodig!"). Ik snap dat niet: hoe kan de overheid zo aan de leiband lopen? Zouden de verhoudingen niet eigenlijk andersom moeten liggen? En worden de problemen in het onderwijs op deze manier ook maar enigszins opgelost? Dit boekje is een manifest: een oproep om het onderwijs te redden. Als je het leest zie je de duidelijke conclusie: het kan, maar dan moet er wel echt ingegrepen worden. 

Als ik een boekje met grieven over de onderwijspraktijk schrijf zou je kunnen zeggen: daar staat weer zo'n betweterige theoreticus te brullen vanaf de zijlijn. Dat is hier niet het geval: het RED-team bestaat weliswaar uit een bonte verzameling onderwijsdeskundigen, maar prominent aanwezig zijn ook leraren die 'met de poten in de klei staan'. Dat versterkt het betoog. Daarnaast worden sommige (maar niet alle) uitspraken met literatuurverwijzingen ondersteund. Ik denk dat sommige lezers zich aan het pleidooi voor het Directe Instructiemodel zullen ergeren. Juist daar was het wellicht verstandig geweest het betoog wat sterker te onderbouwen. Aan de andere kant: je kunt in een manifest maar beter helder zijn in wat je wilt (en wat je niet wilt). Nergens maken de auteurs een karikatuur van het huidige onderwijs, vandaar ook dat ik hierboven al zei dat 'onware' uitspraken naar mijn idee nergens voorkomen.

Het boek is na een inleiding en enthousiast voorwoord door Jeroen Dijsselbloem opgedeeld in tien hoofdstukken die elk een stelling als uitgangspunt hebben, zoals 'maak lesgeven aantrekkelijker', en 'faciliteer een krachtige en professionele beroepsorganisatie'. Ik kan me voorstellen dat je ergens op de helft denkt 'nou weet ik het wel'. Toch loont het de moeite om door te lezen, ik vond met name de gedeeltes waarin de historische achtergronden worden geschetst de moeite waard (wie van onder de 40 kent de HOS nog?).

Voor een manifest vind ik de toon van het boek opvallend bedeesd. Het is alsof iemand heeft gezegd: laten we het vooral zakelijk houden. Daarom is het wel extra genieten als een term als 'werkdrukblues' valt, of als een hoofdstuk begint met een betoog over het verval van The Beatles na de dood van hun manager (om over de komst van Yoko Ono nog maar te zwijgen). Op punten had de taal wel wat activistischer mogen zijn, bijvoorbeeld in de slotconclusie. Ik miste een uitsmijter als 'leraren, verenigt u en kom in opstand!'. Nu is het 'luister naar leraren, organiseer hun stem' zonder dat helemaal duidelijk wordt wie dat dan moet doen.

Al met al vind ik dat iedereen dit helder geschreven manifest moet lezen, met de minister(s) voorop. Je hoeft het helemaal niet met alles eens te zijn, maar de geboden oplossingen zijn concreet, uitvoerbaar, en vormen in ieder geval een concrete poging de huidige crises in het onderwijs het hoofd te bieden. Aan de slag!


Het boek is verkrijgbaar bij alle (web)winkels. Zie https://www.walburgpers.nl/nl/book/9789464563924/red-het-onderwijs 


maandag 6 mei 2024

Meta-analyse: Hoe interpersoonlijke ondersteuning motivatie, welzijn en prestaties kan verhogen

Zelfdeterminatie theorie (self-determination theory, SDT) is een invloedrijke motivatietheorie die stelt dat door de vervulling van de basale menselijke behoeften van autonomie, competentie en verbondenheid de motivatie van individuen versterkt kan worden. Daarnaast kan volgens deze theorie het vervullen van deze basisbehoeften het welzijn en prestaties van leerlingen verbeteren. 

Een recente meta-analyse gepubliceerd in het Journal of Personality and Social Psychology laat zien hoe interpersoonlijke ondersteuning, dat wil zeggen ondersteuning door anderen zoals leerkrachten, medeleerlingen of ouders, deze resultaten kan bereiken. De onderzoekers analyseerden voor deze meta-analyse maar liefst 4.561 effectgroottes van 881 onafhankelijke steekproeven, die meer dan 443.000 individuen omvatten.

Hun bevindingen? Steun voor autonomie, competentie en verbondenheid hangen sterk samen met vervullen van deze basisbehoeften. Bovendien hangt deze ondersteuning positief samen met welzijn hangt deze ondersteuning matig samen met prestaties.

In essentie onderstreept deze meta-analyse de kracht van interpersoonlijke ondersteuning bij het vormgeven van onze onderwijsomgevingen. Door gedrag in te zetten dat autonomie, competentie en verbondheid ondersteunt, is het mogelijk om het welzijn en de onderwijsprestaties van leerlingen te versterken.


Het abstract
People’s motivational processes, well-being, and performance are likely to be facilitated through the support of others. Self-determination theory argues that interpersonal supports for autonomy, competence, and relatedness are crucial to achieve these outcomes. In the present study, we provide a comprehensive examination of this formulation based on a meta-analytic database consisting of 4,561 effect sizes from 881 independent samples
(N = 443,556). Our results indicate that supports for autonomy, competence, and  relatedness were strongly positively related with the satisfaction of these basic needs and strongly negatively related to their frustration. Interpersonal supports for basic needs were strongly positively related with subjective well-being and exhibited small to moderate positive associations with performance. Moderation analyses showed general stability of
effects across cultures, although correlations of autonomy support to autonomous  motivation weakened as a function of individualism. The opposite pattern was observed for the correlation between relatedness support and intrinsic motivation. Some effects also declined as a function of sample age and lag in measurements. We also find that competence- and relatedness-supportive behaviors explained incremental variance in basic need satisfaction even after controlling for the more established effects of autonomy support. In addition, lateral need supports explained incremental variance in basic need satisfaction after controlling for vertical sources of support. In sum, our results are consistent with the premise that to support optimal motivation, well-being, and
performance, a broad set of behaviors that nurture all three basic needs, together with  different sources of interpersonal support, should be considered to yield the most benefit

vrijdag 3 mei 2024

Hoe kun je studenten ondersteunen bij de overgang naar het hoger onderwijs?

De overgang van het voorgezet onderwijs naar de universiteit is voor studenten een grote transitie. Bij deze transitie kunnen studenten ondersteuning goed gebruiken. Voor eerstegeneratiestudenten is deze transitie vaak nog uitdagender. Een recent onderzoek, gepubliceerd in het European Journal of Higher Education, biedt waardevolle inzichten in deze kritieke fase en hoe studenten het beste ondersteund kunnen worden bij deze transitie. Het onderzoek, uitgevoerd door onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam, gaat in op de effecten van een pre-academisch programma (PAP) op de studieprestaties in het eerste semester, het gevoel erbij te horen (sense of belonging) en de zelfeffectiviteit (self-efficacy) van studenten.

Het onderzoek vergeleek studenten die deelnamen aan een online PAP met degenen die dat niet deden. Het PAP was ontworpen om uitdagingen aan te pakken die verband hielden met de achtergrond van studenten, zoals eerstegeneratiestudenten in het hoger onderwijs. Het PAP had een focus op hoe sociale achtergrond van studenten hun ervaringen in het hoger onderwijs beïnvloedt. Het PAP was er daarnaast op gericht om studenten te laten ervaren hoe ze hun sociale netwerk kunnen gebruiken tijdens hun studie.

De resultaten zijn veelbelovend: Deelname aan PAP's had een positief effect op de studieprestaties van studenten en het gevoel erbij te horen. Er werd echter geen significant effect gevonden op zelf-effectiviteit. Interessant genoeg varieerden de voordelen van PAP niet naargelang de achtergrond van de studenten, wat suggereert dat PAP iedereen ondersteunt.

Deze bevindingen onderstrepen het belang van programma's voor pre-academische ondersteuning. Door een gevoel van erbij horen te stimuleren en academische prestaties te bevorderen, kunnen we de overgang van studenten naar het hoger onderwijs soepeler laten verlopen. 


Het abstract

The transition to higher education is a challenging period for many students and requires support. Because students’ backgrounds, such as being a first-generation in higher education student, shape experiences in higher education, it is important to consider these factors when organizing support. Using a quasi-experimental pre-test – post-test design, the current study examined the effects of an online pre-academic programme (PAP) specifically aimed to address background-related challenges, on early academic achievement, sense of belonging, academic self-efficacy, and mobilization of on-campus social capital. Multilevel regression analyses of achievement data (NPAP = 463; NControl = 948) and psychosocial data (NPAP = 115; NControl = 544) indicated a positive effect of PAP on achievement and sense of belonging, but not on self-efficacy. Mediation analyses showed that effects of PAP did not vary according to background factors. Path analysis further showed a positive association of PAP participation and mobilization of peer social capital, which partly mediated the effect on sense of belonging. No associations were found with mobilization of faculty social capital. The results suggest that PAP participation positively affects students’ transition to HE, in terms of early achievement, sense of belonging in HE, and mobilization of peer capital.

vrijdag 19 april 2024

Welke factoren voorspellen zelfeffectiviteit in klassenmanagement?

Klassenmanagement is een belangrijke vaardigheid voor leerkrachten. Een recente meta-analyse biedt waardevolle inzichten in de factoren die de zelfeffectiviteit (self-efficacy) van leerkrachten op het gebied van klassenmanagement beïnvloeden. Deze meta-analyse, die 87 empirische onderzoeksartikelen analyseerde, identificeert de belangrijkste voorspellers van zelfeffectiviteit in klassenmanagement en hun effectgrootte. Uit de meta-analyse bleek dat factoren op leerkrachtniveau, zoals werkervaring, werktevredenheid en betrokkenheid van de leerkracht een positieve correlatie hebben met zelfeffectiviteit in klassenmanagment. Factoren op klasniveau, zoals klassenklimaat en managementpraktijken, hangen ook positief samen met zelfeffectiviteit in klassenmanagement. Interessant genoeg bleken factoren op schoolniveau, zoals leiderschap van de directeur en schoolcultuur, in mindere mate samen te hangen met zelfeffectiviteit in klassenmanagement. Deze bevindingen onderstrepen het belang van een ondersteunende schoolomgeving en een positief klassenklimaat om het vertrouwen van leerkrachten in het effectief managen van hun klas te versterken. 

Het abstract
This meta-analysis examined literature from the last two decades to identify factors that correlate with teachers’ classroom management self-efficacy (CMSE) and to estimate the effect size of these relationships. Online and reference list searches from international and Chinese databases yielded 1085 unique results. However, with a focus on empirical research the final sample consisted of 87 studies and 22 correlates. The findings cluster the correlates of CMSE into three categories: teacher-level factors (working experience, constructivist beliefs, teacher stress, job satisfaction, teacher commitment, teacher personality, and teacher burnout), classroom-level factors (classroom climate, classroom management, students’ misbehaviour, students’ achievement, classroom interaction, and student-teacher relationship), and school-level factors (principal leadership and school culture). The results of this meta-analysis show small to large correlations between these 15 factors with CMSE. How these factors are associated with teachers’ CMSE and recommendations for future CMSE research are discussed.

woensdag 10 april 2024

Realistische rekenopgaven vooral nadelig voor leerlingen met lage SES?

Al langere tijd wordt er geklaagd over de rekenvaardigheid van Nederlandse leerlingen. Vaak wordt voor de boosdoener gewezen naar de manier waarop op veel scholen het rekenonderwijs vorm krijgt: volgens het realistisch rekenen. Bij realistisch rekenen worden reken- en wiskundeopgaven vaak gepresenteerd aan de hand van realistische en contextrijke verhalen ("verhaaltjessommen"). Een recente publicatie in npj Science of Learning van de Nederlandse onderzoekers Muskens, Frankenhuis en Borghans laat zien dat dit soort rekenopgaven vooral voor leerlingen met een lage socio-economische status (SES) een probleem kunnen vormen.

Het onderzoek analyseerde gegevens van de Trends in International Mathematics and Science Studies (TIMSS). TIMSS is een groot internationaal onderzoek waaraan 5501165 leerlingen uit 58 landen deelnamen. De onderzoekers onderzochten of de inhoud van rekenopgaven, met name de verhaaltjessomen, de prestaties van leerlingen beïnvloedt. Ze onderzochten opgaven die betrekking hadden op realistische uitdagingen die mogelijk herkenbaar zijn voor leerlingen met een lage SES, zoals geld, voedsel en sociale relaties.

In tegenstelling tot de verwachtingen bleek uit het onderzoek dat leerlingen uit de lage SES-groepen slechter presteerden op opgaven met realistische inhoud in vergelijking met hun gemiddelde prestaties. Het effect was significant: Leerlingen met een lage SES hadden 18% minder kans op het geven van een goed antwoord bij dergelijke vragen dan leerlingen met een hoge SES. Dit suggereert dat dergelijke opgaven onbedoeld kunnen afleiden of dat ze aan deze leerlingen extra cognitieve belasting kan opleggen. 

Het abstract
In many countries, standardized math tests are important for achieving academic success. Here, we examine whether content of items, the story that explains a mathematical question, biases performance of low-SES students. In a large-scale cohort study of Trends in International Mathematics and Science Studies (TIMSS)—including data from 58 countries from students in grades 4 and 8 (N = 5501,165)—we examine whether item content that is more likely related to challenges for low-SES students (money, food, social relationships) improves their performance, compared with their average math performance. Results show that low-SES students scored lower on items with this specific content than expected based on an individual’s average performance. The effect sizes are substantial: on average, the chance to answer correctly is 18% lower. From a hidden talents approach, these results are unexpected. However, they align with other theoretical frameworks such as scarcity mindset, providing new insights for fair testing.

maandag 1 april 2024

Amerikaanse studie laat zien wat de negatieve effecten van een vierdaagse schoolweek kunnen zijn

Door het lerarentekort hoor je steeds vaker over scholen die noodgedwongen overwegen een vierdaagse schoolweek in te voeren. Begrijpelijkerwijs zijn er zorgen over de effecten van een vierdaagse schoolweek op de leerprestaties van leerlingen? Een recente studie uit de VS werpt licht op de effecten van vierdaagse schoolweken. Met behulp van gegevens op leerlingniveau ontdekten de onderzoekers dat de vierdaagse lesweek een significante negatieve effect heeft op de prestaties van leerlingen. De leesscores in het voorjaar daalden met 0,07 standaarddeviaties, terwijl de vooruitgang in wiskunde en lezen van herfst tot lente daalde met respectievelijk 0,05 en 0,06 standaarddeviaties. Belangrijk is dat deze effecten meer uitgesproken waren in scholen in steden en onder meisjes. Hierbij is het goed om te weten dat de Amerikaanse scholen die van de vierdaagse lesweek gebruik maakten, de vier overgebleven lesdagen verlengden om de onderwijstijd (nagenoeg) gelijk te houden. 


Het abstract

Four-day school weeks are becoming increasingly common in the U.S., but prior research is ambiguous regarding their impacts on achievement. Using a difference-in-differences approach, we conduct the most representative student-level analysis to date of the effects of four-day weeks on student achievement and within-year growth using NWEA MAP Growth data. We estimate significant negative effects of the schedule on spring reading achievement (-0.07 SD) and fall-to-spring gains in math (-0.05 SD) and reading (-0.06 SD). The negative effects of the schedule are disproportionately driven by adoptions in non-rural schools and are larger for female students. For policymakers and practitioners, this study provides evidence supporting concerns about four-day school weeks’ effects on student achievement and growth, particularly in non-rural areas.

vrijdag 8 maart 2024

Ungrading: Een betere manier om studenten te beoordelen?

De meeste docenten in het hoger onderwijs hebben waarschijnlijk gemengde gevoelens over cijfers. Aan de ene kant zijn ze een handige en vertrouwde manier om de prestaties en vooruitgang van studenten te communiceren. Aan de andere kant zijn er ook zorgen dat ze mogelijk de intrinsieke motivatie en het welzijn van leerlingen ondermijnen. Waar ik zelf bijvoorbeeld allergisch voor ben, is de eindeloze discussies die cijfers op kunnen roepen. Bijvoorbeeld discussies tussen collega's of een scriptie een 7.3 of toch een 7.5 moet krijgen. Wat een verspilde energie is dat! Een cijfer is tenslotte maar een cijfer: Als de energie die docenten in zulke onderlinge discussies stoppen nu eens gebruikt zou worden voor het leerproces van studenten door bijvoorbeeld met studenten te spreken over hun vorderingen? Ik denk dat dat heel wat leerzamer zou zijn dan een studenten informeren dat hun scriptie beoordeeld is met een 7.4.

Zijn er misschien andere manieren om studenten te beoordelen? Manieren die mogelijk meer recht doen aan de autonomie en intrinsieke motivatie van studenten? Tim Gorichanaz, een docent aan Drexel University, onderzocht een methode die "ungrading" genoemd wordt in zijn recente studie die werd gepubliceerd in Active Learning in Higher Education. In zijn cursus worden studenten uitgenodigd om hun eigen doelen te stellen, over hun leerproces na te denken en hun eigen cijfers voor te stellen aan de docent. Hij interviewde acht studenten die ungrading voor de eerste keer meemaakten en vond vier thema's die hun ervaring kenmerkten: de-gamificatie, tijd om na te denken en te reflecteren, rijke communicatie en leergemeenschap.

De studenten gaven aan dat ze zich in zijn cursus meer konden richten op de inhoud en minder op de punten, meer creatieve risico's konden nemen, hun leerproces konden verdiepen door te reflecteren, meer feedback kregen van de docent en zich meer verbonden voelden met hun klasgenoten. Voor deze studenten werkte ungrading erg goed.

Natuurlijk is ungrading geen wondermiddel. Het brengt ook een aantal uitdagingen met zich mee: voor studenten kan het onzekerheid meebrengen over wat er van hen verwacht wordt en voor docenten kan het complex zijn om ungrading op een goede manier vorm te geven in hun cursus. Maar Gorichanaz beargumenteert dat ungrading een veelbelovend alternatief is voor traditionele quotering dat aansluit bij de doelen van intellectuele karaktervorming. Daarbij zitten er enkele methodologische haken en ogen aan de studie van Gorichanaz: de auteur was ook zijn eigen object van studie en dat kan onbedoeld een bias hebben geïntroduceerd in zijn interpretaties. En uiteraard is deze studie klein van opzet en zou het mooi zijn als er studies zouden komen die bijvoorbeeld de langetermijneffecten van ungrading zouden bekijken. 


Het abstract

This paper presents an interpretative phenomenological analysis study of students’ experiences with ungrading in the form of reflection-based self-evaluation in a college course. In the landscape of student evaluation, ungrading strategies respond to the limitations of traditional grading systems, particularly with respect to cultivating in-demand skills and capacities, such as adaptability, creative thinking, and self-management. Through in-depth interviews with eight students, this study reports on four experiential themes that characterize the switch to ungrading: de-gamification, or unsettling the “gamified” nature of evaluation in the traditional grading system; time to think and reflect, creating space for review and the deepening of learning; rich communication, or continual feedback between teacher and student; and learning community, in which students felt like they were part of a team effort rather than siloed individuals. Considerations for further research, as well as implementation of ungrading in other courses, are discussed.

maandag 12 februari 2024

Kiezen of niet kiezen? Het belang van contextrijkonderwijs

Hoe je kun je onderwijs in de STEM-vakken boeiender en relevanter kunt maken voor leerlingen? Eén manier is om contextgebaseerd leren (CBL) te gebruiken. Dit is een aanpak die wetenschappelijke concepten integreert in authentieke situaties uit de echte wereld. CBL kan leerlingen helpen het verband te zien tussen wetenschap en hun dagelijks leven en kan hun nieuwsgierigheid en interesse aanwakkeren.

Maar niet alle contexten spreken leerlingen evenveel. En leerlingen kunnen de voorkeur geven aan verschillende soorten contexten, afhankelijk van bijvoorbeeld hun voorkennis en interesse. Sommige leerlingen geven bijvoorbeeld de voorkeur aan contexten die betrekking hebben op hun persoonlijke ervaringen, terwijl andere leerlingen de voorkeur geven aan contexten die betrekking hebben op ongewone verschijnselen of laboratoriumomgevingen.

Dus, moet je leerlingen hun eigen contexten laten kiezen, of moet je ze contexten toewijzen die bij hun kenmerken passen? Een recente studie van Güth en van Vorst (2024) probeerde deze vraag te beantwoorden door drie interventies te vergelijken in een scheikundeles over zure en alkalische oplossingen. In de eerste interventie konden leerlingen een context kiezen uit drie mogelijkheden: tandbederf, zure regen of chemische analyse. In de tweede interventie kregen leerlingen een context toegewezen die overeenkwam met hun individuele kenmerken, deze overeenkomst werd voorspeld met machine learning. In de derde interventie kregen leerlingen een context toegewezen die niet overeenkwam met hun individuele kenmerken.

De onderzoekers onderzochten de situationele interesse, cognitieve belasting en taakgerelateerde tevredenheid van leerlingen na elke deeltaak. Ze ontdekten dat het voor deze uitkomsten niet uitmaakte of de context wel of niet werd gekozen door leerlingen, zolang de context maar paste bij de individuele kenmerken van de leerlingen. Met andere woorden: het was niet de keuze zelf die een positief effect had, maar eerder de congruentie tussen de context en de leerling.


Het abstract

Context-based learning (CBL) environments are widely used in science education to create authentic learning opportunities. Contexts can be authentic through their relation to everyday life, to uncommon scientific phenomena, or to the chemical laboratory. Previous research revealed that students choose contexts that are authentic in different ways depending on their individual characteristics. Self-determination theory and psychological research indicate that it is not the choice itself that is beneficial for learning, but rather the congruence between the characteristics of the participants and the task. The extent to which these results are transferable to CBL in chemistry education and the effects on cognitive load have not yet been analyzed. The focus of the present study was to investigate whether the choice of a contextualized task or the congruence between context and student are causal for beneficial effects in situational interest, cognitive load, and task-related satisfaction. We conducted an experimental study with 217 third-year chemistry students comparing three treatments while learning in a CBL environment. In the first group, students could choose a contextual task that was varied in terms of authenticity. Students in the second group were assigned a contextual task by an artificial neural network that matched their individual characteristics. Students in the third group were assigned a contextualized task by the neural network that did not match their individual characteristics. Multilevel analyses show that whether the context is chosen or not is irrelevant for situational interest and task-related satisfaction if the context fits the individual characteristics of the students.

vrijdag 9 februari 2024

Speelt een ADHD-diagnose mee in het schooladvies dat leerkrachten geven?

Als een leerling een ADHD-diagnose heeft, heeft dit dan invloed op hoe leraren beslissen naar welk schooltraject leerlingen in het voortgezet onderwijs moeten gaan? Een recent onderzoek van Klapproth en Brink (2024) onderzocht deze vraag met behulp van een experimenteel design. Ze legden aan 46 leerkrachten (waarvan 22 nog student aan de lerarenopleiding) 16 vignetten voor van fictieve leerlingen in het basisonderwijs. Hierbij waarbij varieerden deze fictieve leerlingen in gemiddeld cijfer, ADHD-diagnose, gedrag op school en geslacht. De leerkrachten moesten voor elke fictieve leerling bepalen of ze deze leerling zouden aanbevelen voor het hoogste niveau in het Duitse voortgezet onderwijs (Gymnasium).

De resultaten toonden aan dat de beslissingen van de leerkrachten voornamelijk gebaseerd waren op het gemiddelde cijfer van deze fictieve leerlingen en het gedrag van deze leerlingen, maar niet op hun ADHD-diagnose. Er waren echter enkele interessante interacties tussen de variabelen. Zo waren leerkrachten toegeeflijker ten opzichte van laag presterende jongens dan ten opzichte van laag presterende meisjes, en gevoeliger voor het gedrag van hoog presterende meisjes dan van hoog presterende jongens. 

De auteurs concluderen daarom dat het bemoedigend is dat de deelnemende leerkrachten in dit onderzoek het wel of niet hebben van een ADHD-diagnose niet laten meewegen in hun advies voor het voorgezet onderwijs. 



Het abstract
With a sample of N = 46 in-service and pre-service teachers, we examined whether the labeling of primary-school students as having ADHD would affect teachers’ recommendations for a school track in secondary school. Student vignettes were used to mimic real students. Student gender, their GPA—suggested by their last school report in primary school, their school-related behavior, and whether they were labeled as having ADHD or not were orthogonally varied. Students were more likely to be recommended for the highest track when their GPA indicated higher achievements and when their behavior was appropriate. Moreover, evidence was found that teachers applied gender stereotypes when making school-placement recommendations. When the students were high-achieving boys, their behavior mattered to a lower degree than when the students were high-achieving girls. However, the labeling of students as having ADHD did not affect teachers’ decisions. Hence, the participants of this study were not prone to stereotyping students according to their label. Implications of the results were discussed.

donderdag 8 februari 2024

Decoratieve afbeeldingen belemmeren near transfer voor leerlingen met weinig voorkennis

Met illustraties of afbeeldingen kun je lessen en informatieve teksten boeiender maken. Maar helaas zijn niet alle afbeeldingen even effectief. Sterker nog, sommige decoratieve afbeeldingen kunnen het leren zelfs belemmeren, vooral voor leerlingen met weinig voorkennis.

Dat blijkt uit een recente studie van Magner en collega's (2024). Zij onderzochten de effecten van decoratieve illustraties tijdens het leren van meetkunde in een computergebaseerde omgeving. Decoratieve illustraties zijn afbeeldingen die niet direct gerelateerd zijn aan de leerinhoud, maar bedoeld zijn om aandacht en interesse te trekken. 


De onderzoekers vonden dat decoratieve illustraties wisselende effecten hadden op de leerresultaten. Aan de ene kant wekten ze situationele interesse op. Situationele interesse is een tijdelijke emotionele staat van nieuwsgierigheid en betrokkenheid. Deze interesse kan leerlingen helpen om het geleerde over te brengen naar nieuwe situaties (verre transfer). Aan de andere kant leidden decoratieve illustraties leerlingen ook af van de essentiële informatie en blijken sommige leerlingen minder goed in staat om het geleerde toe te passen op vergelijkbare situaties (nabije transfer). Dit negatieve effect was vooral aanwezig voor leerlingen met weinig voorkennis: bij hen bleken decoratieve illustraties een negatieve impact te hebben op nabije transfer. Bij leerlingen met veel voorkennis bleken decoratieve afbeeldingen een positieve impact te hebben op nabije transfer.

Magner et al. suggereren dat je decoratieve illustraties strategisch kunt gebruiken, afhankelijk van leerdoelen en de voorkennis van leerlingen. Decoratieve illustraties kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden om interesse en motivatie op te wekken aan het begin van een les. Het is echter belangrijk verstandig gebruik te maken illustraties als leerlingen zich moeten concentreren op de essentiële informatie en dan vooral bij leerlingen met weinig voorkennis. In die gevallen is het belangrijk om relevante illustraties te gebruiken die de leerinhoud ondersteunen, of helemaal geen illustraties.


Het abstract

Do decorative illustrations in computer-based learning environments trigger interest and engagement in learning or do they distract? In a pre-study (N = 87 8th grade students) we tested the effects of decorative illustrations on situational interest and we selected highly interesting illustrations for our main study. In the latter study (N = 52) we tested the influence of interesting decorative illustrations on immediate learning outcomes in geometry (near and far transfer) and on further learning. Decorative illustrations hindered near transfer for students with low prior knowledge; students with very high prior knowledge levels profited from this kind of illustrations. Although, we did not find an overall effect on far transfer, decorative illustrations foster far transfer via enhanced situational interest. There were no effects on further learning. Overall, our findings suggest that the dominating cognitive interpretations of multimedia effects should be supplemented by considering the interplay between cognitive and motivational factors.

maandag 29 januari 2024

Meta-analyse: Hoe vergroot je de zelfeffectiviteit van leraren?

Zelfeffectiviteit van leraren is het geloof in het eigen vermogen om succesvol onderwijstaken uit te voeren, zoals het motiveren van leerlingen en klassemanagement en het geven van instructie. Zelfeffectiviteit is een belangrijke factor voor het welzijn van leerkrachten, voor onderwijskwaliteit en leerlingresultaten. Maar hoe kan de zelfeffectiviteit van leraren vergroot worden? En maakt het uit welke voor ervaringen leerkrachten opdoen tijdens hun opleiding of nascholing?

In een recente meta-analyse van Täschner et al. (2024) beoordeelden de auteurs 115 studies met meer dan 11.000 leerkrachten die deelnamen aan verschillende interventies om hun zelfeffectiviteit als leraar te bevorderen. Ze codeerden de interventies volgens de vier door Bandura (1997) voorgestelde bronnen van self-efficacy: mastery experiences, vicarious experiences, social persuasion, en physiological reactions.

De belangrijkste bevindingen van de meta-analyse zijn:

  • Interventies hadden een significant, positief effect op self-efficacy van leraren, met een gemiddelde effectgrootte van 0,47.
  • Interventies die mastery experiences bevatten (zoals practica, rollenspellen of micro-teaching) verschilden niet significant van interventies zonder mastery experiences.
  • Interventies die mastery experiences bevatten zijn het meest effectief voor leerkrachten die nog in opleiding zijn.
  • Interventies met vicarious experiences (zoals het observeren van collega's of experts) of sociale overreding (zoals feedback of coaching) verschilden niet significant van interventies zonder.
  • Interventies gericht op fysiologische reacties (zoals mindfulness oefeningen) waren zeldzaam en verschilden niet significant van interventies zonder.
  • Interventies die reflectie stimuleren (zoals discussies of dagboeken) hadden grotere effecten dan interventies zonder.

Deze resultaten suggereren dat de zelfeffectiviteit van leerkrachten kan worden vergroot door verschillende soorten interventies, maar dat sommige interventies meer geschikt zijn voor bepaalde loopbaanfasen dan andere. Leerkrachten in opleiding zouden meer baat kunnen hebben bij interventies die hen de gelegenheid bieden om te oefenen (mastery experiences). Het lijkt ook van belang te zijn dat interventies die zelfeffectiviteit van leerkrachten bevorderen deelnemers gelegenheid tot reflectie bieden.


Het abstract

A high level of teacher self-efficacy is considered to be important for a successful and healthy teaching career. This preregistered meta-analysis focuses on whether and to what degree interventions can promote teacher self-efficacy. We included 115 studies representing 11,284 pre-service and in-service teachers in our meta-analysis. Interventions had a significant, positive effect on the promotion of teachers’ self-efficacy (g = 0.47, RVE SE = 0.04, 95% CI = [0.40, 0.54]) with no significant differences between pre- and in-service teachers. A fine-grained coding and systematic review of the targeted sources of self-efficacy according to Bandura’s sociocognitive theory revealed that overall interventions including mastery experiences did not significantly differ from those without. However, interventions targeting only mastery experiences were the most successful for pre-service teachers (g = 0.62, RVE SE = 0.11, CI = [0.35, 0.88]). Based on further moderator analyses, we recommend interventions to integrate reflective elements. Finally, future research should apply stricter study designs and more detailed intervention descriptions.

woensdag 24 januari 2024

Leren van fouten: Nieuwe studie laat zien wanneer fouten leerzaam kunnen zijn

Fouten maken is onvermijdelijk bij leren, maar hoe kunnen we onze leerlingen helpen om van hun fouten te leren? Dankzij Martijn Leensen ontdekte ik een nieuwe studie van Metcalfe en collega's (2024) die enig licht werpt op deze vraag. De onderzoekers vergeleken twee onderwijsstrategieën om leerlingen voor te bereiden op een high-stakes algebra toets: expliciete instructie (EI) en leren van fouten (LFE).

In de EI-lessen onderwezen docenten de stof gedurende acht lessen volgens hun gebruikelijke methoden. In de LFE-lessen gaven docenten leerlingen minitoetsen in vier lessen en gebruikten ze de volgende vier lessen om feedback te geven op de fouten van de leerlingen. Deze feedbacklessen waren gericht op het beter begrijpen van de rgemaakte fouten en hoe ze in de toekomst konden worden vermeden.

De resultaten toonden aan dat beide onderwijsstrategieën de prestaties van de leerlingen op de eindtoets verbeterden, maar dat de LFE-lessen per lesuur meer leerde dan de EI-lessen. Dit voordeel was echter niet gelijk bij alle leerkrachten. De onderzoekers ontdekten dat de meest effectieve leerkrachten in de LFE-conditie degenen waren die de leerlingen interactief betrokken bij het onderzoeken van hun fouten, in plaats van hen de juiste oplossingen voor te houden.

Dit onderzoek suggereert dat het maken fouten een krachtige bron van leren kunnen zijn, maar alleen als ze op een bepaalde manier worden behandeld: In plaats van fouten te corrigeren, is het belangijk om leerlingen te helpen hun fouten te analyseren en erover na te denken, en hen betrekken bij het proces om de juiste antwoorden te vinden en toe te passen. Op deze manier kunnen leerkrachten fouten omzetten in kansen voor dieper begrip en blijvende verbetering.

Het abstract

Background

Although the generation of errors has been thought, traditionally, to impair learning, recent studies indicate that, under particular feedback conditions, the commission of errors may have a beneficial effect.

Aims

This study investigates the teaching strategies that facilitate learning from errors.

Materials and Methods

This 2-year study, involving two cohorts of ~88 students each, contrasted a learning-from-errors (LFE) with an explicit instruction (EI) teaching strategy in a multi-session implementation directed at improving student performance on the high-stakes New York State Algebra 1 Regents examination. In the LFE condition, instead of receiving instruction on 4 sessions, students took mini-tests. Their errors were isolated to become the focus of 4 teacher-guided feedback sessions. In the EI condition, teachers explicitly taught the mathematical material for all 8 sessions.

Results

Teacher time-on in the LFE condition produced a higher rate of learning than did teacher time-on in the EI condition. The learning benefit in the LFE condition was, however, inconsistent across teachers. Second-by-second analyses of classroom activities, directed at isolating learning-relevant differences in teaching style revealed that a highly interactive mode of engaging the students in understanding their errors was more conducive to learning than was teaching directed at getting to the correct solution, either by lecturing about corrections or by interaction focused on corrections.

Conclusion

These results indicate that engaging the students interactively to focus on errors, and the reasons for them, facilitates productive failure and learning from errors.

donderdag 18 januari 2024

Lagere cognitive load, meer motivatie, betere cijfers?

De laatste tijd is er veel aandacht voor de implicaties van cognitive load theory voor onderwijs en lesgeven. Cognitive load, of cognitieve belasting, is de hoeveelheid mentale inspanning die nodig is om informatie in het werkgeheugen te verwerken. Als de cognitieve belasting te hoog is, kan dit het leren belemmeren en frustratie en afhaken veroorzaken. Om de cognitieve belasting te verminderen, kunnen leerkrachten gebruik maken van instructie om de cognitieve belasting te verminderen (load reducing instruction, LRI). Dit zijn instructiestrategieën zoals het verminderen van de moeilijkheidsgraad, het bieden van ondersteuning en scaffolding, de mogelijkheid bieden om te oefenen en het geven van feedback. Cognitive load theory wordt wel eens bekritiseerd omdat het een uitsluitend cognitief perspectief op leren en onderwijzen inneemt en geen aandacht lijkt te hebben voor bijvoorbeeld de rol van motivatie en interesse. 

Maar cognitieve belasting is uiteraard niet de enige factor die het leren beïnvloedt. Motivatie is ook cruciaal, omdat motivatie invloed heeft op hoeveel moeite en aandacht leerlingen besteden aan hetgeen ze leren. Volgens de zelfdeterminatietheorie (self determination theory, SDT) kan motivatie meer of minder autonoom zijn, afhankelijk van hoe goed de leerkracht de psychologische basisbehoeften van leerlingen aan competentie, verbondenheid en autonomie ondersteunt. Leerkrachten kunnen deze behoeften ondersteunen door een motiverende stijl aan te nemen die wordt gekenmerkt door autonomieondersteuning (bv., het perspectief van leerlingen innemen, hun interesses benutten, hun gevoelens erkennen) en structuur (bv. duidelijke doelen stellen, verwachtingen uitspreken, feedback en aanmoediging geven). 

Een recent onderzoek van Evans et al. (2024) brengt als één van de eerste studies cognitive load theory en zelfdeterminatietheorie bij elkaar. Zij bevroegen 1287 leerlingen van vier Australische middelbare scholen over hun percepties van de LRI en de stijl van motiveren van hun leraren. Daarnaast gaven ze informatie over de ervaren cognitieve belasting en hun motivatie en betrokkenheid. 

De resultaten van het onderzoek lieten zien dat:

  • LRI samenhangt met lagere cognitieve belasting, hogere motivatie en betrokkenheid, en lagere disengagement.
  • Motiverende stijlen van autonomie-ondersteuning en structuur ook samenhangen met lagere cognitieve belasting, hogere motivatie en betrokkenheid, en minder disengagement.
  • Cognitieve belasting, motivatie en betrokkenheid samenhangen met prestaties, zoals gemeten door schoolcijfers.
Deze bevindingen laten zien dat leerkrachten het leren en het welzijn van leerlingen kunnen verbeteren door gebruik te maken van LRI en een motiverende stijl die de behoeften van leerlingen ondersteunt. Op die manier kunnen leerkrachten de cognitieve belasting van leerlingen verminderen en hun zelfregulerende motivatie, betrokkenheid en prestaties verbeteren.

Het abstract
Although cognitive load theory research has studied factors associated with motivation, these literatures have primarily been developed in isolation from each other. In this contribution, we aimed to advance both fields by examining the effects of instructional strategies on learners’ experience of cognitive load, motivation, engagement, and achievement. Students (N = 1287) in years 7–10 in four Australian high schools completed survey measures of motivation, engagement, cognitive load, and their teachers’ perceived instructional strategies and motivating style. Results suggest that teachers’ load-reducing instructional strategies were related to lower cognitive load and were positively associated with relative autonomous motivation, engagement, and achievement. Teachers’ motivating styles characterized by autonomy support and structure were also associated with reduced extraneous and intrinsic cognitive load, as well as motivation and engagement. We conclude that by using load-reducing strategies and a motivating style characterized by structure and autonomy support, teachers can reduce students’ cognitive load and improve their self-regulated motivation, engagement, and achievement. In so doing, we discuss a number of future avenues for the joint study of self-determination theory and cognitive load theory, with the aim of refining and extending both perspectives.

maandag 15 januari 2024

Werktevredenheid van leraren: Eén van de sleutels tot goed onderwijs?

Zijn tevreden leerkrachten betere leerkrachten? Eerder leken resultaten uit het TALIS onderzoek dit al te bevestigen en zagen we dat gelukkige leerkrachten hogere leerlingprestaties stimuleren. Een recente en uitgebreide meta-analyse onderstreept dit nogmaals. Deze meta-analyse van Wartenberg et al. toont aan dat tevreden leerkrachten minder geneigd zijn het beroep de rug toe te keren en minder vaak afwezig zijn vanwege bijvoorbeeld ziekte. Bovendien laat deze meta-analyse zien dat hun tevredenheid positief correleert met interacties tussen leerkrachten en leerlingen van hoge kwaliteit en betere leerlingresultaten. Tevreden leerkrachten lijken er beter in te slagen om een positief leerklimaat te scheppen voor hun leerlingen. En dit draagt mogelijk bij aan de motivatie en prestaties van hun leerlingen Deze synthese onderstreept het belang van het koesteren en ondersteunen van de werktevredenheid van leerkrachten. Aandacht voor het welzijn van leerkrachten is niet alleen goed voor henzelf, maar is ook belangrijk voor leerlingen.

Het abstract

Job satisfaction has long been discussed as an important factor determining individual behavior at work. To what extent this relationship is also evident in the teaching profession is especially relevant given the manifold job tasks and tremendous responsibility teachers bear for the development of their students. From a theoretical perspective, teachers’ job satisfaction should be negatively related to turnover intentions and absenteeism, and positively to high-quality teacher-student interactions (i.e., emotional support, classroom management, and instructional support), enhanced student motivation, and achievement. This research synthesis provides a comprehensive overview of the relationship between teachers’ job satisfaction and these variables. A systematic literature search yielded 105 records. Random-effects meta-analyses supported the theoretically postulated relationships between teachers’ job satisfaction and their turnover intentions, absenteeism, teacher-student interactions, and students’ outcomes. Effects were significant not only for teachers’ self-reports of their professional performance, but also for external reports. On the basis of the research synthesis, we discuss theoretical, conceptual, and methodological considerations that inform future research and prospective intervention approaches.