Posts tonen met het label voortgezet onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label voortgezet onderwijs. Alle posts tonen

donderdag 5 maart 2026

AI helpt leerlingen meer wanneer ze ook zelf iets doen, zoals notities maken

Er wordt momenteel over weinig onderwerpen in het onderwijs zo veel gesproken als over GenAI. Aan de ene kant zijn er mensen die zien dat GenAI het leerproces kan versterken: leerlingen kunnen sneller uitleg krijgen, vragen stellen en complexe teksten laten verduidelijken. Aan de andere kant groeit ook de zorg dat leerlingen met GenAI juist minder zelf nadenken en dat dit mogelijk nadelige gevolgen heeft. In de cursus Maatschappelijke vraagstukken: De rol van onderwijstechnologie van onze master Onderwijswetenschappen onderzochten we met studenten ook dit spanningsveld.

Ook een recente studie van Kreijkes en collega’s (2026) onderzoekt precies dit spanningsveld: wat gebeurt er wanneer leerlingen een large language model (LLM) gebruiken tijdens het lezen van een tekst? Helpt dat hen om beter te begrijpen en te onthouden wat ze lezen, of werkt een klassiekere strategie, zoals aantekeningen maken, eigenlijk beter?

De resultaten zijn interessant, en tegelijkertijd ook een beetje ontnuchterend.

Wat onderzochten ze?

De onderzoekers wilden weten wat er gebeurt wanneer leerlingen een large language model (LLM) gebruiken tijdens het lezen van een tekst. Concreet keken ze naar drie manieren van werken:

  1. Aantekeningen maken tijdens het lezen
  2. Een LLM gebruiken om vragen te stellen over de tekst
  3. Een combinatie van LLM gebruiken én notities maken

Daarbij onderzochten ze drie zaken:

  • tekstbegrip
  • retentie van de inhoud van de tekst na enkele dagen
  • betrokkenheid van leerlingen
Aan de studie namen 344 leerlingen van ongeveer 14-15 jaar uit zeven middelbare scholen in Engeland deel. De leerlingen bestudeerden twee historische teksten en werden drie dagen later getest op hun begrip en retentie.

GenAI gebruiken om te leren? Zelf nadenken blijft belangrijk
De resultaten laten een duidelijk patroon zien. Leerlingen die aantekeningen maakten, scoorden het best op zowel begrip als retentie. Leerlingen die alleen een LLM gebruikten scoorden het laagst. De groep die zowel een LLM gebruikte als aantekeningen maakte zat daar tussenin: zij deden het beter dan de LLM-groep, maar het verschil was minder groot dan met de groep die alleen aantekeningen maakte. Met andere woorden: GenAI bovenop een klassieke leerstrategie lijkt wel te helpen ten opzichte van GenAI alleen, maar het maakt de strategie van aantekeningen maken op zichzelf niet beter.

Betekent dit dat GenAI niet werkt?

Nee. Integendeel.

De studie suggereert dat combinaties van strategieën interessant kunnen zijn. LLM’s kunnen bijvoorbeeld helpen om extra vragen te stellen, verbanden te verkennen en nieuwsgierigheid te stimuleren. In de dataset zagen de onderzoekers bijvoorbeeld leerlingen die tijdens een tekst over apartheid plots vroegen naar het levensverhaal van Nelson Mandela, of tijdens een tekst over de Cubacrisis naar de angst voor communisme. Dat zijn vragen die verder gaan dan de oorspronkelijke tekst en mogelijk bijdragen aan dieper begrip of duiden op interesse die werd opgewekt bij de leerlingen.

Wat ook opviel: Veel van prompts die de leerlingen schreven waren gericht op het verkrijgen van aanvullende informatie of dieper begrip. Leerlingen stelden daarnaast vraag verduidelijkingsvragen ("Wat is een sanctie?") of vroegen de LLM vaak om informatie te conderseren. Opvallend was ook dat in slechts zes prompts bleek dat leerlingen de betrouwbaarheid van de output van de LLM betwijfelden. Een klein deel van de prompts was niet gerelateerd aan de leertaak ("Vertel me over Harry Potter"). 

Opvallend was ook dat wanneer de onderzoekers keken naar de overlap tussen de output die studenten genereerden met behulp van de LLM en de inhoud van hun notities, ze moesten constateren dat deze overlap behoorlijk groot was. Bij bijna 1/5 van de leerlingen bevatten de aantekeningen vrijwel alleen letterlijke kopieën van de LLM-output. Dit suggereert dat leerlingen in de LLM+aantekeningen conditie minder zelf aantekeningen maakten, wat mogelijk de effectiviteit ervan vermindert.

Overzicht van de verschillende prompts die leerlingen gebruikten.

Nog een interessant detail: Leerlingen dachten zelf vaak dat het LLM hen beter hielp dan notities maken. Dat staat haaks op hun daadwerkelijke leerresultaten.

Dat is overigens geen nieuw fenomeen. Onderzoek naar leren laat al langer zien dat leerlingen niet altijd goed kunnen inschatten wat hen werkelijk helpt om te leren.

Wat betekent dit voor onderwijs?
Misschien vooral dit: AI kan een nuttig hulpmiddel zijn, maar het vervangt geen cognitieve inspanning van leerlingen zelf. Strategieën zoals: aantekeningen maken, samenvatten, uitleggen in eigen woorden, blijven krachtige manieren om kennis op te bouwen.

En misschien is dat wel de belangrijkste les uit dit onderzoek: GenAI kan leren ondersteunen, maar leren zelf blijft inspanning vragen.

Of zoals een oud onderwijsprincipe het samenvat: als leren te gemakkelijk voelt, is het vaak minder effectief.


Het abstract
Students' rapid uptake of Generative Artificial Intelligence tools, particularly large language models (LLMs), raises urgent questions about their effects on learning. We compared the impact of LLM use to that of traditional note-taking, or a combination of both, on secondary school students' reading comprehension and retention. We conducted a pre-registered, randomised controlled experiment with within- and between-participant design elements in schools in England. 405 students, aged 14–15 years, studied two text passages and completed comprehension and retention tests three days later. Quantitative results demonstrated that both note-taking alone and combined with LLM use had significant positive effects on retention and comprehension compared to using the LLM alone. Yet, most students preferred using the LLM over note-taking, and perceived it as more helpful. Qualitative results revealed that many students valued the LLM for making complex material more accessible and reducing cognitive load, while they appreciated note-taking for promoting deeper engagement and aiding memory. Additionally, we identified “archetypes” of prompting behaviour, offering insights into the different ways students interacted with the LLM. Overall, our findings suggest that, while note-taking promotes cognitive engagement and long-term comprehension and retention, LLMs may facilitate initial understanding and student interest. The study reveals the continued importance of traditional learning activities, the benefits of combining LLM use with traditional learning over using LLMs alone, and the AI skills that students need to maximise those benefits.

donderdag 18 januari 2024

Lagere cognitive load, meer motivatie, betere cijfers?

De laatste tijd is er veel aandacht voor de implicaties van cognitive load theory voor onderwijs en lesgeven. Cognitive load, of cognitieve belasting, is de hoeveelheid mentale inspanning die nodig is om informatie in het werkgeheugen te verwerken. Als de cognitieve belasting te hoog is, kan dit het leren belemmeren en frustratie en afhaken veroorzaken. Om de cognitieve belasting te verminderen, kunnen leerkrachten gebruik maken van instructie om de cognitieve belasting te verminderen (load reducing instruction, LRI). Dit zijn instructiestrategieën zoals het verminderen van de moeilijkheidsgraad, het bieden van ondersteuning en scaffolding, de mogelijkheid bieden om te oefenen en het geven van feedback. Cognitive load theory wordt wel eens bekritiseerd omdat het een uitsluitend cognitief perspectief op leren en onderwijzen inneemt en geen aandacht lijkt te hebben voor bijvoorbeeld de rol van motivatie en interesse. 

Maar cognitieve belasting is uiteraard niet de enige factor die het leren beïnvloedt. Motivatie is ook cruciaal, omdat motivatie invloed heeft op hoeveel moeite en aandacht leerlingen besteden aan hetgeen ze leren. Volgens de zelfdeterminatietheorie (self determination theory, SDT) kan motivatie meer of minder autonoom zijn, afhankelijk van hoe goed de leerkracht de psychologische basisbehoeften van leerlingen aan competentie, verbondenheid en autonomie ondersteunt. Leerkrachten kunnen deze behoeften ondersteunen door een motiverende stijl aan te nemen die wordt gekenmerkt door autonomieondersteuning (bv., het perspectief van leerlingen innemen, hun interesses benutten, hun gevoelens erkennen) en structuur (bv. duidelijke doelen stellen, verwachtingen uitspreken, feedback en aanmoediging geven). 

Een recent onderzoek van Evans et al. (2024) brengt als één van de eerste studies cognitive load theory en zelfdeterminatietheorie bij elkaar. Zij bevroegen 1287 leerlingen van vier Australische middelbare scholen over hun percepties van de LRI en de stijl van motiveren van hun leraren. Daarnaast gaven ze informatie over de ervaren cognitieve belasting en hun motivatie en betrokkenheid. 

De resultaten van het onderzoek lieten zien dat:

  • LRI samenhangt met lagere cognitieve belasting, hogere motivatie en betrokkenheid, en lagere disengagement.
  • Motiverende stijlen van autonomie-ondersteuning en structuur ook samenhangen met lagere cognitieve belasting, hogere motivatie en betrokkenheid, en minder disengagement.
  • Cognitieve belasting, motivatie en betrokkenheid samenhangen met prestaties, zoals gemeten door schoolcijfers.
Deze bevindingen laten zien dat leerkrachten het leren en het welzijn van leerlingen kunnen verbeteren door gebruik te maken van LRI en een motiverende stijl die de behoeften van leerlingen ondersteunt. Op die manier kunnen leerkrachten de cognitieve belasting van leerlingen verminderen en hun zelfregulerende motivatie, betrokkenheid en prestaties verbeteren.

Het abstract
Although cognitive load theory research has studied factors associated with motivation, these literatures have primarily been developed in isolation from each other. In this contribution, we aimed to advance both fields by examining the effects of instructional strategies on learners’ experience of cognitive load, motivation, engagement, and achievement. Students (N = 1287) in years 7–10 in four Australian high schools completed survey measures of motivation, engagement, cognitive load, and their teachers’ perceived instructional strategies and motivating style. Results suggest that teachers’ load-reducing instructional strategies were related to lower cognitive load and were positively associated with relative autonomous motivation, engagement, and achievement. Teachers’ motivating styles characterized by autonomy support and structure were also associated with reduced extraneous and intrinsic cognitive load, as well as motivation and engagement. We conclude that by using load-reducing strategies and a motivating style characterized by structure and autonomy support, teachers can reduce students’ cognitive load and improve their self-regulated motivation, engagement, and achievement. In so doing, we discuss a number of future avenues for the joint study of self-determination theory and cognitive load theory, with the aim of refining and extending both perspectives.

zondag 14 januari 2024

Welke informatie gebruiken leerkrachten om een schooladvies te geven?

Basisschoolleerkrachten nemen belangrijke beslissingen over de toekomst van leerlingen, zoals het schooladvies dat ze aan leerlingen uit groep 8 geven. Maar hoe nemen ze deze beslissingen? Is het beter om alleen te vertrouwen op de prestaties van leerlingen of is het nodig om ook rekening te houden met andere kenmerken, zoals werkhouding, betrokkenheid van ouders en achtergrondkenmerken? Welke afwegingen betrekken basisschoolleerkrachten in het advies dat ze geven?

Een recente studie van onderzoekers van de afdeling Educatie van de Universiteit Utrecht, Anne van Leest, Lisette Hornstra, Jan van Tartwijk en Janneke van de Pol, werpt enig licht op deze vraag. Zij analyseerden gegevens van meer dan 17.000 leerlingen uit groep 8 en 1100 leerkrachten uit het basisonderwijs, en van meer dan 4000 leerlingen uit de derde klas en 1200 klassen uit het voortgezet onderwijs. Ze onderzochten in welke mate leerkrachten leerlingenkenmerken (zoals werkhouding, gedrag in de klas) betrekken in het schooladvies. Bovendien onderzochten ze in hoeverre deze kenmerken voorspellend zijn voor prestaties in het voortgezet onderwijs.

De belangrijkste bevinding van het onderzoek is dat de door leerkrachten waargenomen eigenschappen van leerlingen slechts een beperkte rol spelen bij het advies. Daarnaast blijken deze kenmerken ook weinig invloed te hebben op prestaties van leerlingen op het voortgezet onderwijs. Het onderzoek laat echter ook zien dat leraren verschillen in de mate waarin ze rekening houden met deze kenmerken, en dat sommige kenmerken meer invloed hebben op leerlingen met verschillende achtergronden.

Uit het onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat leerkrachten eerder een hoger advies geven voor leerlingen die volgens hen een goede werkhouding hebben, waarvan de ouders als betrokken worden gezien en die een hoge sociaaleconomische status hebben. Aan de andere kant zullen leerkrachten minder snel hogere adviezen geven voor leerlingen van wie ze denken dat ze weinig motivatie, weinig zelfvertrouwen en een lage taalvaardigheid hebben.

Uit het onderzoek blijkt ook dat de door leerkrachten waargenomen eigenschappen van leerlingen enige invloed hebben op de prestaties van leerlingen op de middelbare school, maar alleen voor sommige studierichtingen en sommige vakken. Het onderzoek vindt bijvoorbeeld dat leerlingen van wie wordt aangenomen dat ze goede werkgewoonten hebben, beter presteren in de hogere vakken, terwijl leerlingen van wie wordt aangenomen dat ze weinig motivatie hebben, slechter presteren in de lagere vakken. Deze effecten zijn echter klein en niet consistent voor alle vakken.

Het onderzoek laat zien dat we voorzichtig moeten zijn met het overschatten van het belang van onze percepties van de eigenschappen van leerlingen, zoals werkhouding en gedrag in de klas. In plaats daarvan lijkt het belangrijk te zijn om in ieder geval voldoende rekening te houden met de eerdere prestaties van leerlingen.


Het abstract

In some tracked educational systems, track recommendations are formulated by primary school teachers to determine the secondary school level that students will be allocated to. While teachers mostly base their track recommendations on students’ prior achievement, the extent to which teachers also consider perceived student attributes, such as students’ perceived work habits or parental involvement, and the extent to which these perceived student attributes are predictive for secondary school performance is unclear. Therefore, we first investigated the extent to which teachers consider their perceptions of student attributes in their track recommendations (RQ1). Differences between students from different backgrounds and differences between teachers were taken into account. Second, we examined the extent to which primary school teachers’ perceptions of student attributes are predictive for their secondary school performance (RQ2). Participants were 17,953 Grade 6 students from 1105 Dutch primary school teachers (RQ1) and 4150 Grade 9 students from 1289 Dutch secondary school classes (RQ2). Data used in this research were analysed using multilevel models. Findings indicated that teacher-perceived student attributes played only a minor role in track recommendations and secondary school performance. Yet the extent to which these attributes were considered by teachers differed based on students’ background and differed between teachers. For secondary school performance, teacher-perceived student attributes to have limited predictive value. The limited predictive value of teacher-perceived student attributes for students’ performance in secondary education suggests that teachers may need to be careful with taking perceived student attributes into account when formulating track recommendations.

Key insights

What is the main issue that the paper addresses?

The main issue the paper addresses is the predictive value of teacher perceptions in track recommendations. Besides more objective factors, such as students’ achievement, there are also signs that teachers may include more subjective factors, such as their perception of student attributes like perceived work habits or parental involvement.

What are the main insights that the paper provides?

The main insight the paper provides is that teacher perceptions of student attributes are hardly predictive of students’ secondary school performance, and teachers almost do not seem to include them in track recommendations. There are small differences between teachers in the extent to which they consider perceived student attributes in their track recommendations. 

woensdag 10 mei 2023

Leerlingparticipatie doet ertoe: Een videostudie naar klassikale discussie en leerprestaties

Hoe kun je je leerlingen stimuleren om meer deel te nemen aan klassikale discussies? Een recent onderzoeksartikel van Decristan, Jansen en Fauth (2023) gaat in op deze vraag. Het artikel rapporteert over twee studies waarin de auteurs onderzochten hoe de kenmerken van leerlingen (bijvoorbeeld hun voorkennis, interesse en zelfconcept) hun deelname aan klassikale discussies beïnvloeden, en hoe hun deelname hun leerresultaten beïnvloedt. De studies gebruikten video-opnames van wiskunde- en natuurkundelessen in het basis- en voortgezet onderwijs, en codeerden verschillende soorten leerlingparticipatie, zoals je hand opsteken, antwoorden op vragen of commentaar geven. De studies gebruikten ook gestandaardiseerde tests om de prestaties van de leerlingen voor en na de lessen te meten.


De belangrijkste bevindingen van het artikel zijn:

  • Leerlingen met een hogere voorkennis, interesse en zelfconcept namen vaker deel aan klassikale discussies dan leerlingen met minder voorkennis, interesse en zelfconcept. 
  • Leerlingen die vaker deelnamen aan klassikale discussies lieten hogere leerwinst zien dan leerlingen die minder vaak deelnamen.
  • De effecten van participatie op het leren waren sterker wanneer leerlingen het gesprek starttenin plaats van wanneer leraren het startten.
De resultaten laten zien dat leerlingparticipatie tijdens klassikale discussie belangrijk is voor het leren in de klas, omdat het de betrokkenheid van de leerlingen verhoogt. De onderzoekers merken op dat leraren mogelijkheden kunnen creëren voor leerlingen om actief en deel te nemen aan klassikale discussies, en hiervoor strategieën kunnen gebruiken zoals vragen stellen, scaffolding en feedback om  zo het leren van hun leerlingen te ondersteunen.

Het abstract

Students’ participation in whole-class discourse is an important feature of classroom learning. Within socio-cultural research, two explanations for this connection can be emphasised: students’ engagement and teacher-student verbal interaction. We suggest a video-based coding scheme that can be specifically connected with each theoretical strand by distinguishing between student-guided and teacher-guided participation. The aim is to explore the conditions (student characteristics) and consequences (student learning) of both types of classroom participation. The results of two video studies with standardised pre- and post-assessments – one in secondary school mathematics (932 students, 40 classes) and one in primary school science (681 students, 35 classes) – emphasise both the relevance of students’ prior knowledge for participation in whole-class discourse and the role of student-guided participation in learning.

zondag 7 mei 2023

Vooruitkijken naar De Staat van het Onderwijs 2023

Op woensdag 10 mei verschijnt De Staat van het Onderwijs. Dit is een jaarlijks rapport van de Inspectie van het Onderwijs. In dit rapport wordt de kwaliteit van het onderwijs in Nederland geëvalueerd en worden trends, ontwikkelingen en uitdagingen in het onderwijs besproken. Het rapport biedt een overzicht van de prestaties van leerlingen en studenten en van de kwaliteit van scholen en opleidingen. Het doel van het rapport is om beleidsmakers, onderwijsprofessionals en het publiek te informeren over de staat van het onderwijs in Nederland en om aanbevelingen te doen voor verbetering.

De laatste edities van De Staat van het Onderwijs schetsen een zorgwekkend beeld van het Nederlandse onderwijs:

  • De basisvaardigheden van leerlingen vertonen al een tijd een neergaande trend. De coronacris heeft dit probleem vergroot en met name voor leerlingen die uit moeilijke omstandigheden komen of extra ondersteuning nodig hebben.
  • De sociaal-emotionele ontwikkeling en met mentale welzijn van leerlingen is door de coronacrisis negatief beïnvloed. Vooral de schoolsluitingen en het beperkte contact met leeftijdgenoten speelde hier een belangrijke rol in. Dit heeft ook gevolgen gehad voor de betrokkenheid en motivatie van leerlingen.
  • Het lerarentekort vormt een grote bedreiging voor de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs. 
  • Het Nederlandse onderwijssysteem heeft in toenemende mate moeite om gelijke kansen te bieden aan alle leerlingen. Er zijn nog steeds aanzienlijke barrières die worden opgeworpen voor specifieke groepen leerlingen. Dit geldt voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, maar ook nieuwkomers en leerlingen met een niet-Westerse achtergrond.

Wat kunnen we dan verwachten in de 2023 editie van dit rapport? Waarschijnlijk zal de onderwijsinspectie aandacht blijven vragen voor de basisvaardigheden van leerlingen. De Nederlandse overheid heeft recentelijk maatregelen genomen om de trend te keren. Zo trekt de overheid 1 miljard euro uit om basisvaardigheden te versterken. Scholen kunnen subsidie en extra hulp aanvragen om hun onderwijsaanbod en -kwaliteit te versterken. De subsidie moet worden besteed aan een wetenschappelijk onderbouwde aanpak die past bij de school.

Het ligt niet voor de hand om te verwachten dat de inspectie constateert dat neergaande trend van de basisvaardigheden inmiddels is gekeerd. Waarschijnlijk zal het enkele jaren duren voordat het ingezette beleid tot duidelijk zichtbare resultaten gaat leiden. Het is daarbij maar zeer de vraag of de regering haar ambitie op het gebied van het versterken van de basisvaardigheden wel kan realiseren, nu duidelijk is geworden dat er bezuinigingen op het onderwijs gaan komen. Opgeteld gaat het om zo’n miljard euro aan bezuinigingen. Zorgwekkend is bijvoorbeeld dat de regering de lonen van leraren niet mee wil laten stijgen met de inflatie. Naar verwachting zal dit het vak niet aantrekkelijker maken en mogelijk het lerarentekort verder doen oplopen. Met alle negatieve gevolgen van dien voor het onderwijs en de onderwijskwaliteit. Het is niet onwaarschijnlijk dat de onderwijsinspectie daarom over enkele jaren zal concluderen dat de maatregelen die zijn ingevoerd om de basisvaardigheden van leerlingen te versterken niet hebben gewerkt, doordat door het lerarentekort de onderwijskwaliteit is gedaald.


vrijdag 3 februari 2023

Meta-analyse laat zien: wereldwijd substantiële leerachterstanden door schoolsluitingen

Dat de schoolsluitingen tijdens de coronacrisis een grote negatieve impact hebben gehad op leerlingen is al uitgebreid gedocumenteerd. Nu is er onlangs een meta-analyse verschenen in Nature Human Behavior die het wereldwijde onderzoek naar de effecten van de schoolsluitingen samenvat. Deze meta-analyse laat zien dat de effecten van de schoolsluitingen een forse negatieve impact hebben gehad op de leerprestaties (d = -0.14). Dat komt volgens de auteurs neer op een leerachterstand van gemiddeld 14 weken.

De auteurs concluderen ook dat de leerachterstanden al vroeg tijdens de pandemie zijn ontstaan en nog nauwelijks kleiner zijn geworden. Bovendien laten de resultaten zien dat de schoolsluitingen verschillen tussen leerlingen vergroot hebben: kinderen met een lage SES hebben grotere leerachterstanden. Tenslotte blijken de achterstand groter te zijn voor rekenen-wiskunde dan voor lezen en spelling. Als laatste kraken de auteurs ook enkele harde noten over de kwaliteit van sommige studies: een deel van de gevonden studies was van dusdanig lage kwaliteit dat deze niet meegenomen kon worden in de meta-analyse.


Het abstract

To what extent has the learning progress of school-aged children slowed down during the COVID-19 pandemic? A growing number of studies address this question, but findings vary depending on context. Here we conduct a pre-registered systematic review, quality appraisal and meta-analysis of 42 studies across 15 countries to assess the magnitude of learning deficits during the pandemic. We find a substantial overall learning deficit (Cohen’s d = −0.14, 95% confidence interval −0.17 to −0.10), which arose early in the pandemic and persists over time. Learning deficits are particularly large among children from low socio-economic backgrounds. They are also larger in maths than in reading and in middle-income countries relative to high-income countries. There is a lack of evidence on learning progress during the pandemic in low-income countries. Future research should address this evidence gap and avoid the common risks of bias that we identify.

donderdag 22 december 2022

Game-based learning verbetert leeruitkomsten en motivatie voor leerlingen in STEM-onderwijs

Utrechtse collega's Michaela Artzmann, Lisette Hornstra, Johan Jeuring en Liesbeth Kester publiceerden onlangs een meta-analyse over de effecten van game-based learning in STEM onderwijs (Science, Technology, Engineering and Mathematics) in het basis- en voortgezet onderwijs. De belangrijkste bevindingen van de meta-analyse zijn dat game-based learning leidt tot verbeterde leeruitkomsten (g = .67) voor alle leerlingen, ongeacht hun leeftijd, geslacht of socio-economische status. Het leren via games leidde ook tot verhoogde motivatie (g = .51) en betrokkenheid (g = .93)  voor leerlingen van alle leeftijden, behalve voor jongere leerlingen in de lagere middelbare school. Verder bleek dat game-gebaseerd leren effectiever was voor leerlingen in het basisonderwijs. De meta-analyse suggereert dat game-gebaseerd leren een effectief middel is om leeruitkomsten, motivatie en betrokkenheid te verbeteren in het STEM-onderwijs.

Het abstract

Game-based learning has proven to be effective and is widely used in science education, but usually the heterogeneity of the student population is being overlooked. To examine the differential effects of game interventions in STEM (Science, Technology, Engineering and Mathematics) related subjects on diverse student groups, a meta-analysis has been conducted that included 39 studies that compared game-based learning interventions with traditional classrooms in primary and early secondary education. We found moderate positive effects on cognition (g = .67), motivation (g = .51), and behaviour (g = .93). Additionally, substantial heterogeneity between studies was found. Moderator analyses indicated that primary school students achieve higher learning outcomes and experience game interventions as more motivating than secondary school students, whereas gender did not have any moderating effect. There were too few studies reporting information on the remaining moderators (socioeconomic status, migration background, and special educational needs) to include them in a multiple meta-regression model. Therefore, we assessed their role by separate moderator analyses, but these results need to be interpreted with caution. Additional descriptive analyses suggested that game-based learning may be less beneficial for students with low socioeconomic status compared to students with high socioeconomic status.

maandag 12 december 2022

Explore your brain: Effect van een nieuwe mindsetinterventie

Leerlingen met een groeimindset geloven dat hun kwaliteiten en mogelijkheden niet vaststaan, maar dat deze kunnen verbeteren door bijvoorbeeld oefening en inzet. Over de effecten van mindsetinterventies bestaat nog onduidelijkheid: in sommige studies worden grote effecten gevonden in andere kleinere effecten. Een nieuwe studie van de Vrije Universiteit vindt vrije grote effecten van een nieuw ontwikkelde mindsetinterventie die is uitgetest in 10 klassen in het voortgezet onderwijs. Om de interventie krachtiger te maken dan voorgaande interventies hebben de auteurs aan de interventie een psychofysiologische component toegevoegd: door middel van neurofeedback aan de hand van EEG ervoeren leerlingen de plasticiteit van het brein. De uitkomsten van de uitgevoerde randomized controled trail laten zien dat, één jaar na afloop van de interventie, de interventie een positief effect had op wiskundecijfers.

Het abstract

Background: Although past research demonstrated growth mindset interventions to improve school outcomes, effects were small. This may be due to the theoretical nature of psychosocial techniques (e.g., reading about brain plasticity), which may not be optimally convincing for students.

Aims: To address this issue and improve effectiveness, we developed a growth mindset intervention, which combined psychosocial and psychophysiological components. The latter adds a convincing experience of influencing one's own brain activity, using mobile electroencephalography (EEG) neurofeedback, emphasizing the controllable and malleable nature of one's brain.

Sample: In this randomized controlled trial (RCT), twenty high-school classes (N = 439) were randomized to either the active control condition (no mindset messaging) or our newly developed growth mindset intervention condition (4 × 50 min).

Methods: School outcomes (pre, post, 1-year follow-up) were analysed with Linear Mixed Models (LMM: variable-oriented) and Latent Transition Analysis (LTA: person-oriented).

Results: LMM: students in the growth mindset interven- tion reported increased growth mindset directly after the intervention (post, d = .38) and at 1-year follow-up (d = .25) and demonstrated a protective effect against deterioration of math grades at 1-year follow-up (d = .36), compared to controls. LTA: we identified three mindset profiles (Fixed, Growth competitive, Growth non-competitive), with more

frequent transitions from fixed to one of the growth mindset profiles at 1-year follow-up for students in the growth mind- set intervention compared to controls (OR 2.58–2.68). Conclusions: Compared to previous studies, we found relatively large effects of our intervention on growth mind- set and math grades, which may be attributable to synergetic effects of psychosocial and psychophysiological (neurofeed- back) components. The person-oriented approach demon- strated more holistic effects, involving multiple motivational constructs.

zondag 11 december 2022

De negatieve impact van een discriminerend schoolklimaat

Het PISA onderzoek is natuurlijk bekend van de ranglijsten waarin landen worden vergeleken op bijvoorbeeld schoolprestaties. De PISA data worden echter ook gebruikt voor nader onderzoek naar factoren die schoolprestaties verklaren. In een recente studie onderzochten Gülseli Baysu, Orhan Agirdag en Jozefien De Leersnyder of een of een door leerlingen waargenomen discriminerend schoolklimaat op school samenhangt met lagere academische prestaties bij leerlingen uit etnische minderheids- en meerderheidsgroepen. De resultaten laten zien dat wanneer leerlingen een discriminerend schoolklimaat ervaren, dit een negatieve impact heeftt op schoolprestaties.

Het abstract

The negative consequences of perceived ethnic discrimination on adolescent adjustment are well documented. Less is known, however, about the consequences of discriminatory climates in school, beyond the individual experiences of discrimination. This study investigated whether a perceived discriminatory climate in school is associated with lower academic performance across adolescents from ethnic minority and majority groups, and which psychological mechanisms may account for this link. Using the 2018 Programme for International Student Assessment (PISA) data, the participants were 445,534 adolescents (aged 15–16, 50% girls) in 16,002 schools across 60 countries. In almost all countries, a discriminatory climate—i.e., student perceptions of teachers’ discriminatory beliefs and behaviors in school—was associated with lower math and reading scores across all pupils, although minorities perceived a more discriminatory climate. Lower school belonging and lower values attributed to learning partially mediated these associations. The findings demonstrate that schools’ ethnic and racial climates predict standardized academic performance across schools and countries among pupils from both ethnic majority and minority groups.

vrijdag 2 december 2022

Je eigen feedback genereren met rubrics en voorbeelden?


Kunnen leerlingen hun eigen feedback genereren en daarmee hun schrijfprestaties verbeteren? Deze vraag staat centaal in een nieuwe studie van Lipnevich, Panadero en Calistro. In deze studie onderzochten de onderzoekers de effecten van rubrics en exemplars (voorbeelden) op schrijfprestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs door deze leerlingen te vragen deze hulpmiddelen te gebruiken om hun eigen feedback te maken. Uit het onderzoek bleek dat leerlingen in de condities met rubrics en exemplars het meest profiteerden en dat hun prestaties verbeterden na een training over het gebruik van deze hulpmiddelen. De onderzoekers concludeerden dat het loont om leerlingen aan te moedigen om rubrics en voorbeelden te gebruiken om zelf feedback te genereren. Dit kan hun prestaties kan helpen verbeteren en kan ook de werklast voor leraren kan verminderen.

Het abstract

Teachers across educational systems struggle to find time to provide quality feedback to their students. Asking students to create their own feedback has been shown to enhance students’ performance. In this experimental study, we explored the effects of rubrics and exemplars on writing performance, encouraging students to employ these tools for self-feedback generation. Two hundred six 9th- and 10th-grade students participated. Students were asked to write an essay and revise it based on the information provided to them under four conditions: control, rubrics, exemplars, and combined condition (rubrics and exemplars). After submitting the revised version of their essay, students in experimental conditions were trained on how to use rubrics and/or exemplars. Students were then asked to write another essay and revise it based on the information consistent with their experimental group membership (i.e., control, rubric, exemplars, combined). We found that students in the rubrics condition benefited the most, closely followed by students in the exemplars condition, and then the combined condition. The performance across conditions was somewhat variable for the three performance outcomes. Furthermore, the improvement in the usage of the tools following the training session was the highest for the exemplars condition. We conclude that teachers can encourage students to use both rubrics and exemplars to generate self-feedback and improve performance. This way, teachers’ workload can be significantly decreased.

Impact statement

This study suggests that high school students can effectively use rubrics and exemplars to self-assess, generate self-feedback, and revise their essays based on it. That is, rubrics and exemplars have a potential to both enhance self-feedback that leads to higher performance and to increase teachers’ efficient use of time. 

 Lipnevich, A. A., Panadero, E., & Calistro, T. (2022). Unraveling the effects of rubrics and exemplars on student writing performance. Journal of Experimental Psychology: Applied. Advance online publication. https://dx.doi.org/10.1037/xap0000434

zondag 27 november 2022

donderdag 24 november 2022

Een goede schrijver geeft goede feedback, een slechte schrijver geeft slechte feedback?

Bij peer feedback geven leerlingen feedback aan hun medeleerlingen. Hoewel het geven en ontvangen leerzaam kan zijn voor beide partijen, zijn er ook zorgen over peer feedback. Niet in de laatste plaats bij leerlingen zelf: zij vragen zich geregeld af of hun medeleerlingen wel voldoende vaardig zijn om goede feedback te geven. Als leerlingen elkaar bijvoorbeeld feedback moeten geven op een geschreven tekst, maar de feedbackgever is geen sterke schrijver, kan deze feedbackgever dan wel goede feedback geven? Een studie die onlangs verscheen in Journal of Educational Psychology onderzocht de impact van de schrijfvaardigheid van degene die peer feedback geeft op de kwaliteit van de feedback die deze leerling geeft. De auteurs, Wu en Schunn, vonden dat het nuttiger is om uit te gaan van de meer specifieke sterke en zwakke punten van elke beoordelaar. Het maakte in deze studie niet uit of een leerling in het algemeen meer of minder succesvol was in zijn eigen schrijfprestaties. Het was veeleer van belang of zij het specifieke onderwerp dat zij moesten beoordelen, onder de knie hadden. Wanneer hun eigen schrijven het specifieke probleem had dat het document dat zij moesten beoordelen, had, gaven zij minder nuttige feedback. De auteurs concluderen dat ook zwakkere schrijvers toch nuttige feedback kunnen geven aan hun medeleerlingen.


Het abstract

Although peer review has been widely used for formative assessment in writing instruction, there remain concerns about whether assessors are at a sufficient writing performance level that would allow them to identify major problems in the reviewed work and provide helpful feedback to improve draft quality. Little empirical research has examined how assessor writing performance specifically influences problem identification accuracy and helpfulness of feedback, nor has it acknowledged different grain sizes of assessor performance. Assessor writing performance at different grain sizes (i.e., performance at the levels of genre, dimension of a genre, and specific problem topic) was assessed alongside problem identification accuracy and feedback helpfulness in 234 high school students who participated in an anonymous multipeer review in a secondary writing course in the United States. A correlation analysis showed that assessor performance levels on specific problem topics were meaningfully separable, thereby allowing for consideration of the effects of assessor performance at genre, dimension, and topic levels. Multiple regression results indicated that assessor writing performance was unrelated to problem identification accuracy at any grain size. Therefore, scaffolds in the reviewing process appear sufficient to support problem identification accuracy. However, assessor writing performance, particularly on specific dimensions and specific topics, consistently predicted helpfulness of feedback, even though lower performing assessors rarely produce incorrect advice. Theoretical and practical implications of the findings are discussed.