donderdag 1 december 2022

De relatie tussen plezier in school en ontwikkeling van algemene kennis

Hebben peuters die in preschool plezier in school hebben hier baat bij als ze op de basisschool zitten? Deze vraag staat centraal in een nieuwe studie van Jirout et al. die onlangs verscheen in Child Development. Zij onderzochten het plezier in school van leerlingen op twee meetmomenten (preschool en basisschool). Ook onderzochten ze op deze momenten de algemene kennis van deze leerlingen. Uit het onderzoek bleek dat er een significant verband bestaat tussen beide, waarbij plezier in school invloed heeft op algemene kennis en vice versa. Deze bevindingen suggereren dat het bevorderen van plezier in school in een vroeg stadium een bredere academische ontwikkeling kan ondersteunen.


Het abstract
Learning environments can support the development of foundational knowledge and promote children's attitudes toward learning and school. This study explores the relation between school enjoyment and general knowledge from preschool (2016–2017) to kindergarten (2017–2018) in 1359 children (Mage =55, 61months, female = 50%; 58.5% Hispanic, 17% Black, 10% Asian, 10% White, 5% multiracial/other; linguistically diverse). Cross-lagged panel models showed significant bidirectional associations between preschool enjoyment and change in general knowledge from preschool to kindergarten with a standardized coefficient of β =.21 (p <.001) and associations between preschool general knowledge and change in enjoyment, β =.09 (p =.015). Exploratory analyses with teacher characteristics and demographic subgroup comparisons are discussed. These associations suggest the potential intervention strategy of promoting early school enjoyment to support broader academic development.

Jirout, J. J., Ruzek, E., Vitiello, V. E., Whittaker, J., & Pianta, R. C. (2022). The association between and development of school enjoyment and general knowledge. Child Development. https://doi.org/10.1111/cdev.13878

woensdag 30 november 2022

Van programmeren kun je rekenen leren?


Opinies zoals de opinie hierboven hoor je zeer geregeld. Niet zo vreemd ook als je bedenkt dat er een tekort is aan werknemers die kunnen programmeren. En zonder les in programmeren, kun je de programmeurs van de toekomst niet opleiden. Er wordt daarnaast ook vaak gewezen op de bijkomende voordelen van het leren programmeren. Zo wordt bijvoorbeeld verondersteld dat wanneer kinderen leren programmeren, ze beter worden in het oplossen van problemen en dat dit hen ook helpt bij het leren van rekenen en wiskunde. Een recente, omvangrijke studie uit Frankrijk probeert deze claim te onderzoeken middels een randomized controlled trial. In de experimentele groep werden rekenen- en wiskundeopgaven gekoppeld aan programmeeractiviteiten in Scratch. Opvallend is dat de resultaten laten zien dat de leerlingen in de programmeerconditie scoorden significant slechter op een post-test. Dit roept de vraag op of er sprake is van transfer naar het reken- en wiskundedomein bij het leren programmeren.



Het abstract
The aim of this study is to investigate whether a programming activity might serve as a learning vehicle for mathematics acquisition in grades four and five. For this purpose, the effects of a programming activity, an essential component of computational thinking, were evaluated on learning outcomes of three mathematical notions: Euclidean division (N = 1,880), additive decomposition (N = 1,763) and fractions (N = 644). Classes were randomly assigned to the programming (with Scratch) and control conditions. Multilevel analyses indicate negative effects (effect size range −0.16 to −0.21) of the programming condition for the three mathematical notions. A potential explanation of these results is the difficulties in the transfer of learning from programming to mathematics.

dinsdag 29 november 2022

Interesseontwikkeling van studenten: Brede programma's, brede interesses?

Collega Jonne Vulperhorst deelde de resultaten van de laatste studie van zijn proefschrift. In deze studie onderzochten hij en zijn collega's hoe de interesse van studenten zicht ontwikkelt en of deze ontwikkeling anders verloopt als studenten deelnemen aan een breed studieprogramma (bijvoorbeeld liberal arts and sciences), een professiegericht studieprogramma (bijvoorbeeld logopedie) of een disciplinair studieprogramma (bijvoorbeeld onderwijswetenschappen). De verwachting is dat brede programma's studenten de ruimte bieden om diversere interesses te ontwikkelen, terwijl in de andere programma's de interesses van studenten meer zullen convergeren. Ze onderzochten dit door op zeven momenten (drie voor de transitie naar het hoger onderwijs en vier na de transitie) te bevragen op hun interesses. De resultaten laten zien dat studenten vóór de transitie naar het HO niet verschillen in hun interessedivergentie.Na de transitie treden er wel verschillen op tussen studenten in de verschillende programma's. De interesses van studenten in brede programma's gingen inderdaad meer divergeren: studenten raken geïnteresseerd in meerdere disciplines. Studenten in professiegerichte en disciplinaire programma's gingen hun interesses meer verdiepen binnen één domein.


Het abstract

There is an ongoing debate in higher education about the value of broad programmes versus specialised programmes. Educational professionals argue that students use the space provided by broad programmes to develop interests in diverse domains, while the scope of specialised programmes allows students to converge in interests. The present study investigates whether students enrolled in broad and specialised programmes indeed differ in how their interests develop. To do so, we traced the interest development of 124 Dutch students from their final year in secondary education until the end of their first year in higher education. We used an experience sampling method to measure students’ momentary interests over a week and repeated this every three months. For each data collection week, we coded in how many different domains students were interested, and subsequently ran a multigroup, sequential, latent growth curve model. We found that students in broad programmes develop more divergent interests, while students in specialised programmes develop more convergent interests. This shows how students use the space provided by programmes to shape their interests. Our results can help higher education institutes in discussing whether a more diverse or focused curriculum is desirable from a societal and student perspective.

 J. P. Vulperhorst, J. E. Dams, R. M. van der Rijst & S. F. Akkerman (2022). How students use the space provided by broad and specialised programmes to develop their interests in higher education, Studies in Higher Education. DOI: 10.1080/03075079.2022.2150756

maandag 28 november 2022

Meta-analyse: Executieve functies voorspellen rekenvaardigheid

Executieve functies zijn mentale processen waarmee leerlingen hun leerproces en gedrag reguleren. Onderdelen van executieve functies zijn bijvoorbeeld respons inhibitie (bv. nadenken voordat je iets doet), het wisselen tussen strategieën (shifting) en informatie in het werkgeheugen kunnen vasthouden (updating) Een recente meta-analyse onderzocht de relatie tussen executieve functies van kleuters en rekenvaardigheid. De resultaten van deze meta-analyse laten zien dat executieve functies van kleuters inderdaad samenhangen met rekenvaardigheid. Hiermee wordt wederom bevestigd dat executieve functies belangrijk zijn in de ontwikkeling van rekenvaardigheid van kleuters. Bij het ondersteunen van de ontwikkeling van rekenvaardigheid lijkt het dus van belang om zicht te hebben op de executieve functies van jonge kinderen en in didactiek rekening te houden met executieve functies, door bijvoorbeeld uitleg en informatie in kleine stapjes op te delen voor kinderen die moeite hebben met updating.


Het abstract

Executive functions (EFs) are key skills underlying other cognitive skills that are relevant to learning and everyday life. Although a plethora of evidence suggests a positive relation between the three EF subdimensions, inhibition, shifting, and updating, and math skills for schoolchildren and adults, the findings on the magnitude of and possible variations in this relation are inconclusive for preschool children and several narrow math skills (i.e., math intelligence). Therefore, the present meta-analysis aimed to (a) synthesize the relation between EFs and math intelligence (an aggregate of math skills) in preschool children; (b) examine which study, sample, and measurement characteristics moderate this relation; and (c) test the joint effects of EFs on math intelligence. Utilizing data extracted from 47 studies (363 effect sizes, 30,481 participants) from 2000 to 2021, we found that, overall, EFs are significantly related to math intelligence ( bul_148_5-6_337_math1.gif  = .34, 95% CI [.31, .37]), as are inhibition ( bul_148_5-6_337_math2.gif  = .30, 95% CI [.25, .35]), shifting ( bul_148_5-6_337_math3.gif  = .32, 95% CI [.25, .38]), and updating ( bul_148_5-6_337_math4.gif  = .36, 95% CI [.31, .40]). Key measurement characteristics of EFs, but neither children’s age nor gender, moderated this relation. These findings suggest a positive link between EFs and math intelligence in preschool children and emphasize the importance of measurement characteristics. We further examined the joint relations between EFs and math intelligence via meta-analytic structural equation modeling. Evaluating different models and representations of EFs, we did not find support for the expectation that the three EF subdimensions are differentially related to math intelligence


zondag 27 november 2022

zaterdag 26 november 2022

De week op het onderwijswetenschappen blog: onderwijs verkleint ongelijkheid, synchroon vs. asynchroon onderwijs, zelfregulatie onderwijzen en meer


Wat verscheen er deze week op het onderwijswetenschappen blog? Een korte terugblik:


vrijdag 25 november 2022

Onderzoek onder tweelingen wijst uit: onderwijs kan ongelijkheid verkleinen

Utrechtse collega Kim Stienstra (@kimstienstra) deelde onlangs de resultaten van haar meest recente studie.

Verminderen scholen de sociale ongelijkheid in onderwijsprestaties en fungeren zij als "de grote gelijkmaker"? Of reproduceren of versterken ze de ongelijkheden juist? Deze vraag staat centraal in een nieuwe studie van de Utrechtse en Amsterdamse onderzoekers Stienstra, Knigge, Maas, De Zeeuw en Boomsma. Zij onderzoeken dit door specifiek de onderwijsprestaties van tweelingen te onderzoeken. Doordat sommige tweelingen bij elkaar in de klas zitten en andere niet, kunnen de auteurs vier bronnen uit elkaar halen die bijdragen aan verschillen in prestaties: genetisch, gedeelde omgeving, niet-gedeelde omgeving en klassikale invloeden. De resultaten laten zien dat gemiddeld 2,1 procent van de variantie in onderwijsprestaties van Nederlandse basisschoolleerlingen is toe te schrijven aan klassikale invloeden. Onder klassikale invloeden vallen bijvoorbeeld de kwaliteit van leerkracht, de grootte van de klas, de beschikbare hulpmiddelen in de klas en het klassenklimaat. 2,1 procent lijkt misschien weinig, maar de auteurs merken terecht op dat 68% van de onderwijsprestaties in deze studie wordt verklaard door genetische factoren en dus slechts 32% door omgevingsfactoren. In verhouding wordt 12% van de variantie van deze omgevingsfactoren door klassikale invloeden verklaard. Klassikale invloeden blijken groter wanneer het opleidingsniveau van ouders lager is. Dit laat zien dat onderwijs tot op zekere hoogte een compenserend effect heeft.


Het abstract

We investigate the influence of the classroom environment on educational performance and its dependency on parental socio-economic status (SES). The classroom environment can have a compensatory effect and decrease educational inequality, in which case the classroom context is more important for children originating from lower SES families. Alternatively, there can be an amplifying effect, in which case the classroom environment is more important for high-SES children. This would increase educational inequality. We investigate the two alternatives by applying a twin design to data from 4,216 twin pairs from the Netherlands Twin Register (birth cohorts 1991–2002). Some twin pairs share a classroom and other twins from the same pair are in different classrooms. We use this fact to decompose the variance in educational performance at the end of primary school into four components: genetic variance, classroom variance, shared environmental variance, and non-shared environmental variance. We find that of the total variance in educational performance, only a small part (2 per cent) can be attributed to differences between classrooms within schools. The influence of the classroom was larger when the level of parental SES was lower (up to 7.7 per cent) indicating a compensatory effect.


donderdag 24 november 2022

Een goede schrijver geeft goede feedback, een slechte schrijver geeft slechte feedback?

Bij peer feedback geven leerlingen feedback aan hun medeleerlingen. Hoewel het geven en ontvangen leerzaam kan zijn voor beide partijen, zijn er ook zorgen over peer feedback. Niet in de laatste plaats bij leerlingen zelf: zij vragen zich geregeld af of hun medeleerlingen wel voldoende vaardig zijn om goede feedback te geven. Als leerlingen elkaar bijvoorbeeld feedback moeten geven op een geschreven tekst, maar de feedbackgever is geen sterke schrijver, kan deze feedbackgever dan wel goede feedback geven? Een studie die onlangs verscheen in Journal of Educational Psychology onderzocht de impact van de schrijfvaardigheid van degene die peer feedback geeft op de kwaliteit van de feedback die deze leerling geeft. De auteurs, Wu en Schunn, vonden dat het nuttiger is om uit te gaan van de meer specifieke sterke en zwakke punten van elke beoordelaar. Het maakte in deze studie niet uit of een leerling in het algemeen meer of minder succesvol was in zijn eigen schrijfprestaties. Het was veeleer van belang of zij het specifieke onderwerp dat zij moesten beoordelen, onder de knie hadden. Wanneer hun eigen schrijven het specifieke probleem had dat het document dat zij moesten beoordelen, had, gaven zij minder nuttige feedback. De auteurs concluderen dat ook zwakkere schrijvers toch nuttige feedback kunnen geven aan hun medeleerlingen.


Het abstract

Although peer review has been widely used for formative assessment in writing instruction, there remain concerns about whether assessors are at a sufficient writing performance level that would allow them to identify major problems in the reviewed work and provide helpful feedback to improve draft quality. Little empirical research has examined how assessor writing performance specifically influences problem identification accuracy and helpfulness of feedback, nor has it acknowledged different grain sizes of assessor performance. Assessor writing performance at different grain sizes (i.e., performance at the levels of genre, dimension of a genre, and specific problem topic) was assessed alongside problem identification accuracy and feedback helpfulness in 234 high school students who participated in an anonymous multipeer review in a secondary writing course in the United States. A correlation analysis showed that assessor performance levels on specific problem topics were meaningfully separable, thereby allowing for consideration of the effects of assessor performance at genre, dimension, and topic levels. Multiple regression results indicated that assessor writing performance was unrelated to problem identification accuracy at any grain size. Therefore, scaffolds in the reviewing process appear sufficient to support problem identification accuracy. However, assessor writing performance, particularly on specific dimensions and specific topics, consistently predicted helpfulness of feedback, even though lower performing assessors rarely produce incorrect advice. Theoretical and practical implications of the findings are discussed.