Posts tonen met het label leerkrachten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label leerkrachten. Alle posts tonen

vrijdag 19 april 2024

Welke factoren voorspellen zelfeffectiviteit in klassenmanagement?

Klassenmanagement is een belangrijke vaardigheid voor leerkrachten. Een recente meta-analyse biedt waardevolle inzichten in de factoren die de zelfeffectiviteit (self-efficacy) van leerkrachten op het gebied van klassenmanagement beïnvloeden. Deze meta-analyse, die 87 empirische onderzoeksartikelen analyseerde, identificeert de belangrijkste voorspellers van zelfeffectiviteit in klassenmanagement en hun effectgrootte. Uit de meta-analyse bleek dat factoren op leerkrachtniveau, zoals werkervaring, werktevredenheid en betrokkenheid van de leerkracht een positieve correlatie hebben met zelfeffectiviteit in klassenmanagment. Factoren op klasniveau, zoals klassenklimaat en managementpraktijken, hangen ook positief samen met zelfeffectiviteit in klassenmanagement. Interessant genoeg bleken factoren op schoolniveau, zoals leiderschap van de directeur en schoolcultuur, in mindere mate samen te hangen met zelfeffectiviteit in klassenmanagement. Deze bevindingen onderstrepen het belang van een ondersteunende schoolomgeving en een positief klassenklimaat om het vertrouwen van leerkrachten in het effectief managen van hun klas te versterken. 

Het abstract
This meta-analysis examined literature from the last two decades to identify factors that correlate with teachers’ classroom management self-efficacy (CMSE) and to estimate the effect size of these relationships. Online and reference list searches from international and Chinese databases yielded 1085 unique results. However, with a focus on empirical research the final sample consisted of 87 studies and 22 correlates. The findings cluster the correlates of CMSE into three categories: teacher-level factors (working experience, constructivist beliefs, teacher stress, job satisfaction, teacher commitment, teacher personality, and teacher burnout), classroom-level factors (classroom climate, classroom management, students’ misbehaviour, students’ achievement, classroom interaction, and student-teacher relationship), and school-level factors (principal leadership and school culture). The results of this meta-analysis show small to large correlations between these 15 factors with CMSE. How these factors are associated with teachers’ CMSE and recommendations for future CMSE research are discussed.

maandag 29 januari 2024

Meta-analyse: Hoe vergroot je de zelfeffectiviteit van leraren?

Zelfeffectiviteit van leraren is het geloof in het eigen vermogen om succesvol onderwijstaken uit te voeren, zoals het motiveren van leerlingen en klassemanagement en het geven van instructie. Zelfeffectiviteit is een belangrijke factor voor het welzijn van leerkrachten, voor onderwijskwaliteit en leerlingresultaten. Maar hoe kan de zelfeffectiviteit van leraren vergroot worden? En maakt het uit welke voor ervaringen leerkrachten opdoen tijdens hun opleiding of nascholing?

In een recente meta-analyse van Täschner et al. (2024) beoordeelden de auteurs 115 studies met meer dan 11.000 leerkrachten die deelnamen aan verschillende interventies om hun zelfeffectiviteit als leraar te bevorderen. Ze codeerden de interventies volgens de vier door Bandura (1997) voorgestelde bronnen van self-efficacy: mastery experiences, vicarious experiences, social persuasion, en physiological reactions.

De belangrijkste bevindingen van de meta-analyse zijn:

  • Interventies hadden een significant, positief effect op self-efficacy van leraren, met een gemiddelde effectgrootte van 0,47.
  • Interventies die mastery experiences bevatten (zoals practica, rollenspellen of micro-teaching) verschilden niet significant van interventies zonder mastery experiences.
  • Interventies die mastery experiences bevatten zijn het meest effectief voor leerkrachten die nog in opleiding zijn.
  • Interventies met vicarious experiences (zoals het observeren van collega's of experts) of sociale overreding (zoals feedback of coaching) verschilden niet significant van interventies zonder.
  • Interventies gericht op fysiologische reacties (zoals mindfulness oefeningen) waren zeldzaam en verschilden niet significant van interventies zonder.
  • Interventies die reflectie stimuleren (zoals discussies of dagboeken) hadden grotere effecten dan interventies zonder.

Deze resultaten suggereren dat de zelfeffectiviteit van leerkrachten kan worden vergroot door verschillende soorten interventies, maar dat sommige interventies meer geschikt zijn voor bepaalde loopbaanfasen dan andere. Leerkrachten in opleiding zouden meer baat kunnen hebben bij interventies die hen de gelegenheid bieden om te oefenen (mastery experiences). Het lijkt ook van belang te zijn dat interventies die zelfeffectiviteit van leerkrachten bevorderen deelnemers gelegenheid tot reflectie bieden.


Het abstract

A high level of teacher self-efficacy is considered to be important for a successful and healthy teaching career. This preregistered meta-analysis focuses on whether and to what degree interventions can promote teacher self-efficacy. We included 115 studies representing 11,284 pre-service and in-service teachers in our meta-analysis. Interventions had a significant, positive effect on the promotion of teachers’ self-efficacy (g = 0.47, RVE SE = 0.04, 95% CI = [0.40, 0.54]) with no significant differences between pre- and in-service teachers. A fine-grained coding and systematic review of the targeted sources of self-efficacy according to Bandura’s sociocognitive theory revealed that overall interventions including mastery experiences did not significantly differ from those without. However, interventions targeting only mastery experiences were the most successful for pre-service teachers (g = 0.62, RVE SE = 0.11, CI = [0.35, 0.88]). Based on further moderator analyses, we recommend interventions to integrate reflective elements. Finally, future research should apply stricter study designs and more detailed intervention descriptions.

maandag 15 januari 2024

Werktevredenheid van leraren: Eén van de sleutels tot goed onderwijs?

Zijn tevreden leerkrachten betere leerkrachten? Eerder leken resultaten uit het TALIS onderzoek dit al te bevestigen en zagen we dat gelukkige leerkrachten hogere leerlingprestaties stimuleren. Een recente en uitgebreide meta-analyse onderstreept dit nogmaals. Deze meta-analyse van Wartenberg et al. toont aan dat tevreden leerkrachten minder geneigd zijn het beroep de rug toe te keren en minder vaak afwezig zijn vanwege bijvoorbeeld ziekte. Bovendien laat deze meta-analyse zien dat hun tevredenheid positief correleert met interacties tussen leerkrachten en leerlingen van hoge kwaliteit en betere leerlingresultaten. Tevreden leerkrachten lijken er beter in te slagen om een positief leerklimaat te scheppen voor hun leerlingen. En dit draagt mogelijk bij aan de motivatie en prestaties van hun leerlingen Deze synthese onderstreept het belang van het koesteren en ondersteunen van de werktevredenheid van leerkrachten. Aandacht voor het welzijn van leerkrachten is niet alleen goed voor henzelf, maar is ook belangrijk voor leerlingen.

Het abstract

Job satisfaction has long been discussed as an important factor determining individual behavior at work. To what extent this relationship is also evident in the teaching profession is especially relevant given the manifold job tasks and tremendous responsibility teachers bear for the development of their students. From a theoretical perspective, teachers’ job satisfaction should be negatively related to turnover intentions and absenteeism, and positively to high-quality teacher-student interactions (i.e., emotional support, classroom management, and instructional support), enhanced student motivation, and achievement. This research synthesis provides a comprehensive overview of the relationship between teachers’ job satisfaction and these variables. A systematic literature search yielded 105 records. Random-effects meta-analyses supported the theoretically postulated relationships between teachers’ job satisfaction and their turnover intentions, absenteeism, teacher-student interactions, and students’ outcomes. Effects were significant not only for teachers’ self-reports of their professional performance, but also for external reports. On the basis of the research synthesis, we discuss theoretical, conceptual, and methodological considerations that inform future research and prospective intervention approaches.


zondag 14 januari 2024

Welke informatie gebruiken leerkrachten om een schooladvies te geven?

Basisschoolleerkrachten nemen belangrijke beslissingen over de toekomst van leerlingen, zoals het schooladvies dat ze aan leerlingen uit groep 8 geven. Maar hoe nemen ze deze beslissingen? Is het beter om alleen te vertrouwen op de prestaties van leerlingen of is het nodig om ook rekening te houden met andere kenmerken, zoals werkhouding, betrokkenheid van ouders en achtergrondkenmerken? Welke afwegingen betrekken basisschoolleerkrachten in het advies dat ze geven?

Een recente studie van onderzoekers van de afdeling Educatie van de Universiteit Utrecht, Anne van Leest, Lisette Hornstra, Jan van Tartwijk en Janneke van de Pol, werpt enig licht op deze vraag. Zij analyseerden gegevens van meer dan 17.000 leerlingen uit groep 8 en 1100 leerkrachten uit het basisonderwijs, en van meer dan 4000 leerlingen uit de derde klas en 1200 klassen uit het voortgezet onderwijs. Ze onderzochten in welke mate leerkrachten leerlingenkenmerken (zoals werkhouding, gedrag in de klas) betrekken in het schooladvies. Bovendien onderzochten ze in hoeverre deze kenmerken voorspellend zijn voor prestaties in het voortgezet onderwijs.

De belangrijkste bevinding van het onderzoek is dat de door leerkrachten waargenomen eigenschappen van leerlingen slechts een beperkte rol spelen bij het advies. Daarnaast blijken deze kenmerken ook weinig invloed te hebben op prestaties van leerlingen op het voortgezet onderwijs. Het onderzoek laat echter ook zien dat leraren verschillen in de mate waarin ze rekening houden met deze kenmerken, en dat sommige kenmerken meer invloed hebben op leerlingen met verschillende achtergronden.

Uit het onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat leerkrachten eerder een hoger advies geven voor leerlingen die volgens hen een goede werkhouding hebben, waarvan de ouders als betrokken worden gezien en die een hoge sociaaleconomische status hebben. Aan de andere kant zullen leerkrachten minder snel hogere adviezen geven voor leerlingen van wie ze denken dat ze weinig motivatie, weinig zelfvertrouwen en een lage taalvaardigheid hebben.

Uit het onderzoek blijkt ook dat de door leerkrachten waargenomen eigenschappen van leerlingen enige invloed hebben op de prestaties van leerlingen op de middelbare school, maar alleen voor sommige studierichtingen en sommige vakken. Het onderzoek vindt bijvoorbeeld dat leerlingen van wie wordt aangenomen dat ze goede werkgewoonten hebben, beter presteren in de hogere vakken, terwijl leerlingen van wie wordt aangenomen dat ze weinig motivatie hebben, slechter presteren in de lagere vakken. Deze effecten zijn echter klein en niet consistent voor alle vakken.

Het onderzoek laat zien dat we voorzichtig moeten zijn met het overschatten van het belang van onze percepties van de eigenschappen van leerlingen, zoals werkhouding en gedrag in de klas. In plaats daarvan lijkt het belangrijk te zijn om in ieder geval voldoende rekening te houden met de eerdere prestaties van leerlingen.


Het abstract

In some tracked educational systems, track recommendations are formulated by primary school teachers to determine the secondary school level that students will be allocated to. While teachers mostly base their track recommendations on students’ prior achievement, the extent to which teachers also consider perceived student attributes, such as students’ perceived work habits or parental involvement, and the extent to which these perceived student attributes are predictive for secondary school performance is unclear. Therefore, we first investigated the extent to which teachers consider their perceptions of student attributes in their track recommendations (RQ1). Differences between students from different backgrounds and differences between teachers were taken into account. Second, we examined the extent to which primary school teachers’ perceptions of student attributes are predictive for their secondary school performance (RQ2). Participants were 17,953 Grade 6 students from 1105 Dutch primary school teachers (RQ1) and 4150 Grade 9 students from 1289 Dutch secondary school classes (RQ2). Data used in this research were analysed using multilevel models. Findings indicated that teacher-perceived student attributes played only a minor role in track recommendations and secondary school performance. Yet the extent to which these attributes were considered by teachers differed based on students’ background and differed between teachers. For secondary school performance, teacher-perceived student attributes to have limited predictive value. The limited predictive value of teacher-perceived student attributes for students’ performance in secondary education suggests that teachers may need to be careful with taking perceived student attributes into account when formulating track recommendations.

Key insights

What is the main issue that the paper addresses?

The main issue the paper addresses is the predictive value of teacher perceptions in track recommendations. Besides more objective factors, such as students’ achievement, there are also signs that teachers may include more subjective factors, such as their perception of student attributes like perceived work habits or parental involvement.

What are the main insights that the paper provides?

The main insight the paper provides is that teacher perceptions of student attributes are hardly predictive of students’ secondary school performance, and teachers almost do not seem to include them in track recommendations. There are small differences between teachers in the extent to which they consider perceived student attributes in their track recommendations. 

dinsdag 26 september 2023

Interacties tussen leerkrachten en leerlingen van verschillende sociaaleconomische achtergronden

Leerkrachten in het basisonderwijs hebben dagelijks honderden interacties met de leerlingen in hun klas, en hiermee dragen ze bij aan een omgeving waarin leerlingen kunnen leren en ontwikkelen. Een recent artikel in Social Psychology of Education laat zien dat deze interacties verschillen op basis van de sociaaleconomische achtergrond van leerlingen. Leerkrachten blijken minder goede relaties te hebben met leerlingen met een lagere sociaaleconomische achtergrond en zijn bovendien directiever naar die leerlingen. Dit kan ervoor zorgen dat de prestatiekloof tussen leerlingen van verschillende sociaaleconomische achtergronden in stand wordt gehouden of zelfs nog groter wordt.


Wat is er onderzocht?

De zelfdeterminatietheorie stelt dat het belangrijk is dat leerkrachten hun leerlingen keuzevrijheid en structuur bieden en positieve relaties met leerlingen opbouwen. Alle leerlingen, ongeacht hun achtergrond, hebben baat bij dergelijke interacties. Daarom biedt deze theorie een passend kader voor onderzoek naar gelijke kansen in het onderwijs. Jonne Bloem en collega’s hebben twee studies uitgevoerd waarin werd gekeken of leraren anders omgaan met leerlingen met een lage of een hoge sociaaleconomische achtergrond. 


Hoe werd dit onderzocht?

De eerste studie was een vignettenstudie, waarin leerkrachten vragen beantwoordden over hun interacties met een fictieve leerling. Leerkrachten kregen een verhaaltje te lezen over een leerling; bij helft van de leerkrachten was de naam van de leerling Willemijn en bij de andere helft Shelly. Ook de hobby’s verschilden (hockey en viool of dansen in het buurthuis) om zo een leerling met een hoge of lage sociaaleconomische achtergrond te illustreren. In de tweede studie beantwoordden leerkrachten vragen over hun interacties met leerlingen uit hun eigen klas. In beide studies werd ook de rol van vooroordelen ten aanzien van leerlingen met een lage sociaaleconomische status onderzocht.


Wat waren de bevindingen?

In beide studies waren leerkrachten minder positief over hun relatie met leerlingen met een lagere sociaaleconomische achtergrond vergeleken met leerlingen met een hogere sociaaleconomische achtergrond. Bovendien kwam in de tweede studie naar voren dat leerkrachten een meer directieve interactiestijl hadden (een combinatie van minder autonomieondersteuning en meer structuur) bij leerlingen met een lagere sociaaleconomische achtergrond. Dat gold met name wanneer deze leerlingen minder goed presteerden op school of meer ongewenst gedrag vertoonden. Deze bevindingen zijn zorgwekkend omdat een directieve interactiestijl en een lagere relatiekwaliteit negatieve gevolgen kunnen hebben voor de motivatie en prestaties van leerlingen. Deze verschillen werden versterkt wanneer leerkrachten sterkere vooroordelen hadden ten aanzien van leerlingen met een lagere sociaaleconomische achtergrond. Deze bevindingen benadrukken de mogelijke rol van interacties in de klas voor het stimuleren van gelijke kansen voor ieder kind.


Lees het volledige artikel hier: https://doi.org/10.1007/s11218-023-09831-w 

woensdag 23 november 2022

Mentaal welbevinden leerkrachten stond onder druk tijdens pandemie

Nog zeer regelmatig verschijnt er onderzoek naar de effecten van de schoolsluitingen, bijvoorbeeld op leerlingen en docenten-in-opleiding. Ook op het welbevinden van leerkrachten hadden de schoolsluitingen impact. Een nieuwe, grootschalige studie uit de VS vergelijkt het welbevinden tijdens de pandemie tussen leerkrachten in het basisonderwijs en leerkrachten in andere beroepen. Deze studie laat zien dat leerkrachten vaker angstsymptomen rapporteerden dan werknemers in andere beroepen en dat leerkrachten die onderwijs op afstand gaven significant hogere niveaus van distress rapporteerden dan degenen die op school lesgaven.

Het abstract
With an emergence of research investigating the educational impacts of the COVID-19 pandemic, empirical studies assessing teachers’ mental health throughout the pandemic have been scarce. Using a large national data set, the current study compares mental health outcomes during the pandemic between pre-K–12 teachers and professionals in other occupations. Further, we compare the prevalence of mental health outcomes between in-person and remote teachers (N = 134,693). Findings indicate that teachers reported a greater prevalence of anxiety symptoms than did those in other professions and that remote teachers reported significantly higher levels of distress than did those teaching in person. We summarize the policy implications of these results.