dinsdag 22 juni 2021

Wat komt er het beste eerst: Instructie of probleemoplossen?

Er is veel discussie hoe je het beste leert met het onderwijzen van een nieuw begrip of concept: moet je hiermee beginnen door leerlingen instructie te geven of door leerlingen eerst een probleem te geven? In onderwijsonderzoek wordt dit onderzocht door instructie gevolgd door probleemoplossen (I-PS) te vergelijken met probleemoplossen gevolgd door instructie (PS-I). Deze laatste manier van het onderwijzen van een nieuw begrip of concept wordt ook wel productive failure genoemd. De reden waarom dit productive failure wordt genoemd, is dat in PS-I onderwijssituaties het probleemoplossen meestal mislukt (failure), maar dat dit mislukken als een voorbereiding en ankerpunt voor de toekomstige instructie kan dienen. Een zojuist gepubliceerde meta-analyse van Sinha en Kapur (deze laatste kan gezien worden als de grondlegger van het idee van productive failure) in Review of Educational Research zet het gepubliceerde onderzoek waarin I-PS en PS-I worden vergeleken op een rij en vindt in een meta-analyse een redelijk effect (g = +0.36) in het voordeel van PS-I.

Het abstract:

When learning a new concept, should students engage in problem solving followed by instruction (PS-I) or instruction followed by problem solving (I-PS)? Noting that there is a passionate debate about the design of initial learning, we report evidence from a meta-analysis of 53 studies with 166 comparisons that compared PS-I with I-PS design. Our results showed a significant, moderate effect in favor of PS-I (Hedge’s g 0.36 [95% confidence interval 0.20; 0.51]). The effects were even stronger (Hedge’s g ranging between 0.37 and 0.58) when PS-I was implemented with high fidelity to the principles of Productive Failure (PF), a subset variant of PS-I design. Students’ grade level, intervention time span, and its (quasi-)experimental nature contributed to the efficacy of PS-I over I-PS designs. Contrasting trends were, however, observed for younger age learners (second to fifth graders) and for the learning of domain-general skills, for which effect sizes favored I-PS. Overall, an estimation of true effect sizes after accounting for publication bias suggested a strong effect size favoring PS-I (Hedge’s g 0.87).


 

Het artikel is open access te raadplegen op de website van Review of Educational Research.

woensdag 9 juni 2021

Een kijkje in het leven van Lukas

In deze blog leren we een van de medewerkers of studenten bij Onderwijswetenschappen beter kennen. Dit keer is dat student Lukas Gerber. Dit is de twaalfde bijdrage in een regelmatig terugkerende serie. 

Het is gek. Als je mij in de derde klas had gevraagd wat ik vond van leren, had ik je aangekeken alsof je me een kampeervakantie op de Zuidpool aanbood. Dat terwijl ik nu juist plekken om te leren opzoek. Het is net of er verschillende soorten leren zijn. 

Ik ben Lukas. Net 19 jaar oud, al hadden de kleuters toen ik mijn verjaardag bij ze vierde maar zes kaarsjes in de klas, dus veelal voel ik me ook nog een beetje jonger. Afgelopen jaar ben ik gestart met de ALPO en dat bleek een opleiding die precies is gemaakt voor enthousiaste jongens zoals ik. Het is een gekke plek die je inneemt. Vanaf het eerste blok ben je zowel leerling als leerkracht. Tegelijkertijd ben je onervaren stagiair en wetenschapper in de dop. Tegelijkertijd sta je met je ene been in de metershoge literatuur en met je andere been in het werkveld. Dat voelde voor mij, zo aan het einde van de middelbare school, als precies wat ik zocht. Een plek om creativiteit en een ongelooflijke lading energie kwijt te kunnen, maar ook uitgedaagd te worden op academisch gebied.  

Leren over leren

In tegenstelling tot veel studenten, mocht ik als eerstejaars ALPO-student regelmatig naar het Utrecht Science Park voor fysieke praktijklessen. Daarnaast natuurlijk één dag in de week naar stage om kinderen nieuwsgierig te maken naar de wereld én naar henzelf. Ik geniet van de enorme nieuwsgierigheid van kinderen; de constante drang naar leren. Ook ik ben vaak op zoek naar nieuwe ervaringen en vaardigheden: mezelf muziek leren maken of een computerprogramma onder de knie krijgen. Afgelopen jaar heb ik veel uren achter de laptop doorgebracht. Veel aan de studie, maar ook aan het schrijven, activiteiten bedenken voor leden van VOCUS of een nieuw leerproject aangaan. Eén van die projecten het afgelopen jaar was het onderwijs zelf. Bij de Jonge Democraten, een politieke jongerenorganisatie verbonden aan D66, zette ik mij in bij de werkgroep Onderwijs & Wetenschap. Hier dacht ik samen met andere jongeren na over ideeën voor bijvoorbeeld kansengelijkheid. Hoe kunnen we met een warme schoolmaaltijd of gratis kinderopvang zorgen voor een betere toekomst voor kinderen die honderd meter voor de startstreep het leven binnenkomen? Op mijn vrij cultuurdiverse stageschool zie ik ondertussen deze kansenoorlog zijn slachtoffers afwerpen: waar het ene kind op maandagochtend uitgebreid vertelt naar welke musea, pretparken en sportwedstrijden die met diens ouders is geweest, was het andere kind al ontzettend blij dat papa dit weekend weer thuis was. Het zijn de afgetrapte sandalen die in de pauze tegen de glimmende Nikes precies hetzelfde voetbalspel spelen. Het zijn de zakjes witte boterhammen zonder korst die op precies dezelfde lunchtafel naast de bakjes fruitsalade staan. Het zijn de tientallen verschillende moedertalen in precies dezelfde kleuterklas.

Ik denk dat juist déze discussie de kracht kan zijn van veel ALPO-leerkrachten: argumenten geven met kennis uit zowel de theorie (of de politiek) als de praktijk. Maar daarnaast ook juist deze theorie toepassen óp de praktijk. Ik kan niet wachten om over een aantal jaar een eigen klas te hebben en mij helemaal in te zetten om alle kinderen voor te bereiden op hún ideale toekomst, kinderen te helpen ontwikkelen en daarbij niemand buiten te sluiten. Al gaat het dan maar over een kind of dertig in plaats van drie miljoen.

Leren volwassen worden

Tot het zo ver is wil ik vooral mezelf meer ontwikkelen. Liesbeth vroeg in haar blog wat ik bereikt wil hebben in vijf jaar. Juist deze vraag wist mij de afgelopen weken vast te houden. Welke ervaringen leren mij het meest? Zo heb ik gesolliciteerd voor een bestuursjaar als voorzitter bij VOCUS, maar ook bij de Inspraak van de ALPO en nagedacht over hoe ver ik mij nog op politiek niveau wil ontwikkelen. Daarnaast extra Pabo-vakken, commissies bij VOCUS en wil ik weer theater spelen als dat weer mag? Soms heb ik moeite met keuzes maken. Dan moet ik een stap terugnemen om te kijken naar het grote plaatje: hoe veel tijd ik nog heb, hoe veel ik nog kán doen. Uiteindelijk ben ik nog maar die jongen van zes verjaardagskaarsjes oud. En tóch probeer ik alles in één keer te doen en alles ook in één keer goed te doen. Ik denk dat veel studenten, en al helemaal ALPO-studenten, zichzelf af en toe te veel druk opleggen. Bij elke stap die je zet ontdek je drie nieuwe richtingen om op te lopen: een rollende sneeuwbal van leeraanbod. Ik denk dat veel studenten, maar ook docenten in het grotere plaatje, veel kunnen leren van dat stapje terugnemen. Die ‘helikopterview’, zoals mijn vorige praktijkopleider dat zo mooi noemde. Mijn vraag aan de volgende blogger is daarom: hoe maak jij belangrijke keuzes?

Leren in de trein

Afgelopen jaar reisde ik dus nog regelmatig af naar het Science Park voor een lesje zingen met mondkapjes of tikkertje spelen met isoleerbuizen. Tijdens de vele treinreizen ben ik het afgelopen jaar nog meer verliefd geworden op het efficiëntste medium dat de eenentwintigste eeuw ons heeft gebracht: de podcast. Zo heb ik al veel onderwijsgerelateerde interviews, verhalen en audio-essays tussen het omroepen van het volgende station beluisterd. Mijn favoriet: Het mysterie van de goede leraar. Hierin gaat Marcel van Herpen, toch wel mijn grote pedagogische voorbeeld, op zoek naar wat een goede leraar nou onderscheidt van al die anderen. Er staat ons een gek jaar te wachten. Een jaar waar we misschien een beetje moeten compenseren voor afgelopen jaar, maar waar we in ieder geval blijven leren. Waar we ons blijven ontwikkelen. Waar we blijven werken aan goed onderwijs voor iedereen.


dinsdag 25 mei 2021

Een kijkje in het leven van Liesbeth Kester

In deze blog leren we een van de medewerkers of studenten bij Onderwijswetenschappen beter kennen. Dit keer is dat hoogleraar Liesbeth Kester. Dit is de elfde bijdrage in een regelmatig terugkerende serie.

Mijn naam is Liesbeth Kester. Na het halen van mijn vwo-diploma wist ik nog niet goed wat ik wilde gaan studeren en ben ik zoals zovelen eerst met de studie Rechten begonnen. Ik ben hier vrij snel mee gestopt en ben toen gaan werken. In die tijd heb ik van alles gedaan: schoonmaakwerk, winkelwerk, werk in de zorg, horecawerk en noem het maar op. Twee jaar later startte ik met de studie Psychologie en dat bleek een studie die wel heel goed bij me paste. Ik studeerde in 1997 af als psycholoog in de neuropsychologie en klinische psychobiologie. Mijn afstudeerscriptie ging over het gebruik van trainingsprogramma’s op de computer bij de revalidatie van hersenbeschadigingen. Na mijn afstuderen kon ik geen werk vinden in de neuropsychologie en heb me toen laten omscholen als computerprogrammeur. In die tijd waarde de zogenaamde millenniumbug rond in oude computerprogrammatuur en gingen we over naar de euro. Een hoop financiële computersystemen moesten dus gecheckt worden op de millenniumbug en klaar gemaakt worden voor de euro. Hier werd ik ook voor ingezet. In de financiële wereld voelde ik me niet echt thuis en ik zocht naar een mogelijkheid weer iets met psychologie te gaan doen. Dit werd een promotietraject in Heerlen aan de Open Universiteit (OU). Bij de OU staat online leren centraal omdat de OU een afstandsuniversiteit is en daar kwamen voor mij mijn interesses in de mogelijkheden van computers en cognitie samen. Ik heb me bij de OU redelijk snel kunnen ontwikkelen tot bijzonder hoogleraar. De leerstoel die ik bekleedde was gericht op de NTR (een publieke omroep). Ik hield me zijdelings bezig met de educatieve content van deze omroep. Aan deze periode en mijn moederschap – ik heb twee opgroeiende kinderen - heb ik mijn interesse in media effect studies overgehouden. Met deze bagage kwam ik in 2015 naar de UU. In deze uitdagende academische omgeving leer ik nog elke dag iets bij. 

Liesbeth Kester

Mijn werkweken bij de UU bestaan voor een groot deel uit afspraken met studenten, promovendi en collega’s. Zo ongeveer een even groot deel gaat op aan het geven van feedback op stukken van met name promovendi en ook studenten. De rest van de tijd gaat op aan werkzaamheden op afdelingsniveau in mijn rol van afdelingsvoorzitter en op opleidingsniveau, waarbij ik me bezighoud met de organisatie van de OWW Ba-AcMa vanuit personeelsperspectief en onderzoek. Buitenshuis ben ik betrokken bij ICO: de landelijke onderzoeksschool waar de onderwijswetenschappers bij zijn aangesloten en de WTR: de wetenschappelijk adviesraad van Surf. De variatie in mijn werk spreekt me erg aan en ik hou ervan mezelf op nieuwe vlakken te ontwikkelen. Soms is het ook wel fijn met iets vertrouwds bezig te zijn. Voor mij is dit gezien mijn verleden bij de OU, het geven van online onderwijs in deze coronatijd.  

Bij Educatie zijn we bij vijf opleidingen betrokken: de OWW Ba, de ALPO, de OWW AcMa, de ReMa en de GST. Ik probeer met name de OWW Ba en AcMa zo breed mogelijk te verankeren in de afdeling door teams in te richten die zich structureel of incidenteel met cursus overstijgende thematiek bezighouden. Binnen de OWW Ba en AcMa vind ik het zeer belangrijk aandacht te blijven houden voor de verbinding van onderwijs en onderzoek, omdat ik dit kenmerkend vind voor een universitaire opleiding. Ik span me dan ook in deze verbinding verder te versterken. Aan studenten wil ik dan ook meegeven gun jezelf de tijd je nieuwsgierigheid te volgen, neem een onderzoekende houding aan ook al word je aan alle kanten onder druk gezet zo snel mogelijk je papiertje behalen.

Tot slot, Rosalie postte de vraag: Als jij een nieuw vak zou mogen ontwerpen (voor welk niveau onderwijs dan ook, of gewoon Onderwijswetenschappen aan de UU), waar zou dat vak over gaan? Aan de vakken waar ik al blij van word, scripties, OvL gevorderd en de andere instructional design vakken zou ik Mediagebruik en Leren willen toevoegen. Een aantal jaar ben ik nu bezig met masterstudenten te kijken naar de invloed van bijvoorbeeld YouTube of TikTok kijkgedrag op opvattingen over leren bij basisschoolkinderen. Dit type onderzoek noem je media effect studies. Meestal gaat dit onderzoek over psychologische effecten van mediagebruik in algemene zin maar in deze nieuwe cursus zou ik willen kijken naar de effecten van media op variabelen die van belang zijn in een leercontext zoals bijvoorbeeld self-efficacy. 

Mijn vraag voor de volgende blogger is: Als je over vijf jaar terugkijkt naar de afgelopen vijf jaar, wat zou je dan graag bereikt willen hebben?

donderdag 20 mei 2021

Samenwerkend leren: een toelichting op de menukaart

 Op 10 mei verscheen de langverwachte "Menukaart interventies funderend onderwijs". Deze menukaart bevat een overzicht van bewezen effectieve interventies die scholen in kunnen zetten bij het inlopen van leerachterstanden die leerlingen hebben opgelopen als gevolg van de schoolsluitingen. Bij het opstellen van de menukaart heeft het Ministerie van OCW zich gebaseerd op de teaching and learning toolkit van de Education Endowment Foundation (EEF). Eén van de interventies die is opgenomen in de menukaart is samenwerkend leren. De menukaarten focussen vooral op het beschrijven van de effectiviteit van interventies en het wetenschappelijke bewijs voor deze effectiviteit, maar geven minder concrete aanwijzingen hoe een interventie effectief ingezet kan worden in de klas. 

De tekst over samenwerkend leren geeft bijvoorbeeld de volgende aandachtspunten bij het inzetten van samenwerkend leren:

  1. Samenwerken gaat niet automatisch: leerlingen hebben daar ondersteuning bij nodig en moeten ermee oefenen.
  2. De taken moeten zorgvuldig worden verdeeld en omschreven zodat de samenwerking effectief en efficiënt verloopt. Anders zullen sommige leerlingen proberen het werk in hun eentje te doen.
  3. Competitie tussen groepen kan een middel zijn om leerlingen effectiever te laten samenwerken. Een te grote nadruk op competitie kan er echter toe leiden dat de leerlingen vooral willen winnen en te weinig gericht zijn op hun leerprestaties.
  4. Het is vooral van belang dat minder goed presterende leerlingen tijdens de samenwerking worden gestimuleerd om actief deel te nemen en hun gedachten onder woorden te brengen, zodat ze optimaal kunnen profiteren van de samenwerking.
  5. Heb je nagedacht over de benodigde trainingen voor leerkrachten/docenten om deze interventies effectief te kunnen inzetten?
In de komende periode zal ik enkele blogs schrijven waarin ik inga op enkele thema's die relevant zijn voor schoolteams die overwegen om van samenwerkend leren gebruik te maken. Ik begin daarbij met punt (2) uit de bovenstaande lijst omdat dat wat mij betreft het belangrijkste aandachtspunt is.

Ik kan het niet alleen: Positieve wederzijdse afhankelijkheid als belangrijkste voorwaarde voor samenwerkend leren
Samenwerkend leren heeft in ieder geval één grote valkuil: samenwerkend leren is alleen leerzaam als de samenwerking tussen leerlingen goed verloopt. Maar daar zit nu juist de crux: lang niet altijd verloopt die samenwerking goed. Bekende voorbeelden van problemen tijdens het samenwerken zijn meeliftgedrag (een leerling laat andere leerlingen het werk opknappen) en dominantie (een leerling domineert de discussie en laat andere leerlingen niet voldoende meedoen). Om zulke problemen te voorkomen is een doordacht ontwerp van de samenwerkingstaak die je je leerlingen geeft van cruciaal belang. Deze taak moet in ieder geval zorgen voor positieve wederzijdse afhankelijkheid. Er is sprake van positieve wederzijdse afhankelijkheid als leerlingen beseffen dat ze elkaars inzet en bijdrage nodig hebben om de samenwerking tot een goed einde te brengen. Het moet in feite onmogelijk zijn om de taak te volbrengen zonder inzet van alle groepsleden.

Er zijn verschillende manieren om te zorgen dat er sprake is van positieve wederzijdse afhankelijkheid, bijvoorbeeld:
  • Hoge complexiteit of moeilijkheid: Wellicht de belangrijkste manier om te zorgen voor voldoende afhankelijkheid is om leerlingen een samenwerkingstaak te geven die voldoende complex of moeilijk is. Door groepjes een taak te geven die zo complex is dat geen leerling deze alleen voor elkaar kan krijgen, stimuleer je afhankelijkheid. Wat heeft heeft het voor zin om leerlingen in tweetallen aan een reeks rekenopgaven te laten werken die één van de leerlingen ook in zijn/haar eentje gedaan kan worden? Hiermee werk je meeliftgedrag in de hand. Complexiteit kan te maken hebben met hoe moeilijk de lesstof is, maar kan ook met de omvang van de lesstof. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het samenwerken aan een project over de Romeinen waarbij groepsleden de opdracht krijgen om een werkstuk te maken over de Romeinen. Hierbij moeten leerlingen dan bijvoorbeeld ingaan op de geschiedenis van het Romeinse Rijk, de Romeinse goden en de Romeinse cultuur. Zo'n opdracht kan zo omvangrijk zijn, dan leerlingen ook van elkaars inbreng afhankelijk zijn om deze opdracht tot een goed einde te brengen. Ook het introduceren van een vorm van tijdsdruk kan zorgen voor afhankelijkheid tussen groepsleden.
  • Rollen: Een tweede veel gebruikte manier om afhankelijkheid te stimuleren is om groepsleden complementaire rollen te geven. Bij het hierboven genoemde project over de Romeinen kun je leerlingen daarnaast ook rollen toewijzen zoals: vragensteller, samenvatter, verduidelijker, aanmoediger. Hierdoor wordt ieder groepslid aangemoedigd om een bepaalde rol te vervullen die behulpzaam is bij het realiseren van hetr groepsdoel.
  • Materiaal of informatie: Door het verdelen van materiaal of informatie kan er ook afhankelijkheid tussen groepsleden gestimuleerd worden. Een voorbeeld van het verdelen van informatie is de Jigsaw methode. De lesstof die bestudeerd moet worden, wordt bij de Jigsaw methode in gelijke delen verdeeld. Elk groepslid is verantwoordelijk voor één van de delen. Vervolgens gaan leerlingen die verantwoordelijkheid hebben voor hetzelfde onderdeel naar de expertgroep van dat onderdeel. Je bent dan als het ware de vertegenwoordiger van je groep voor dat onderdeel. In deze expertgroepen wisselen leerlingen informatie uit, gaan ze op zoek naar verdere informatie, bespreken onduidelijkheden, enzovoorts. Vervolgens gaan leerlingen terug naar hun oorspronkelijke groep en integreren ze wat ze hebben geleerd in de expertgroepen tot een geheel. 

Ook door het verdelen van materiaal kan er afhankelijkheid tussen groepsleden ontstaan. Door iedere leerling een deel van het benodigde materiaal te geven, zijn ze afhankelijk van elkaar. Bij het maken van een poster kun je leerlingen één vel papier, één stift en één schaar geven. Op deze manier moeten ze samenwerken om de poster te realiseren en kan niet één leerling al het werk doen.
  • Gemeenschappelijke doelen: Het is van belang dat leerlingen beseffen dat ze een gemeenschappelijk doel hebben. De doelen van de leerlingen moeten met elkaar samenhangen zodat ieder groepslid alleen zijn doel kan behalen als de anderen ook hun doel behalen. Dat kan door groepsleden gemeenschappelijke doelen te geven. Een manier om dat te doen is door leerlingen vooraf duidelijke criteria mee te geven ("Zorg dat iedereen 4 van de 5 opgaven goed maakt"). Een andere manier is door een cijfer voor het werk van de hele groep te geven als je met cijfers geven werkt.
Naast deze vormen van afhankelijkheid zijn er nog andere vormen van afhankelijkheid. Het is van belang om, zeker wanneer leerlingen nog niet veel ervaring met samenwerkend leren hebben, goed aandacht te besteden aan deze afhankelijkheid. In de praktijk worden in veel samenwerkingsopdrachten meerdere van de hierboven beschreven vormen van afhankelijkheid creëren gecombineerd (bijvoorbeeld complexiteit en gemeenschappelijke doelen). Onderzoek laat overigens zien dat wanneer leerlingen meer ervaring in het samenwerken krijgen het expliciet benoemen van afhankelijkheid en het als het ware inbakken van afhankelijkheid minder nodig is. Leerlingen hebben de manier van werken als het ware geïnternaliseerd.

In een volgende blog zal ik enkele veel gebruikte werkvormen bij samenwerkend leren bespreken.


Aanvullende teksten en informatie
In deze tekst geeft Simon Veenman een duidelijke uitleg over de theoretische achtergrond van samenwerkend leren. Daarnaast benoemt hij veel aandachtspunten bij samenwerkend leren.

Effectieve didactiek: Samenwerkend leren. Presentatie die ik gaf tijdens ResearchED Den Bosch.

dinsdag 11 mei 2021

Een kijkje in het leven van Rosalie

In deze blog leren we een van de medewerkers of studenten bij Onderwijswetenschappen beter kennen. Dit keer is dat student Rosalie Schoemaker. Dit is alweer de tiende bijdrage in een regelmatig terugkerende serie.

 

Hi! Wat leuk dat je deze blog leest! Mijn naam is Rosalie Schoemaker, ik ben 21 jaar en woon in het gezellige Utrecht. Ik ben derdejaars student en rond nu de bachelor Onderwijswetenschappen alweer af. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: Charlotte Wang heeft de vraag ‘Wat doe je regelmatig (of wil je graag ooit doen) waarvan je weet dat het eigenlijk heel stom is? (En waarom?)’ gesteld. Ik heb als kind heel veel gelezen, ook ´s avonds in het donker als ik moest slapen. Het was eigenlijk heel stom, omdat de kinderoogarts had gezegd dat ik maximaal 30 minuten achter elkaar mocht lezen. Nu kan ik niet zonder lenzen of bril… Nerdy! 

Week

Bij het afronden van een bachelor hoort het schrijven van een scriptie. Ik doe dat met Iris en Frederique over schoolleiders uit het voortgezet onderwijs. Naast de interviews met de schoolleiders spreken wij elkaar elke maandagochtend. Dan kletsen we tot we elkaar weer helemaal hebben bijgepraat en bespreken we wat er op de planning staat. Later in de week bellen we met onze begeleider Esther van Dijk. Ook vergader ik bijna elke week met de SympoCie van VOCUS, waar ik voorzitter van ben. Op dit moment zijn de voorbereidingen voor het congres ‘Leren Zonder Grenzen’ op 27 mei aanstaande in volle gang. Deze avond organiseren wij samen met de SympoCie van PAP. Ik vind het super gezellig om zo nieuwe mensen te leren kennen en met hen samen te werken! De inschrijvingen zijn al open, check de website van VOCUS voor alle toffe sprekers.😉 Ik zit ook in de FotoFilmCie van VOCUS, dus soms bewerk ik foto’s die leden insturen via de app. Daarnaast bel ik elke week met mijn taalmaatje, die ik via Praat Nederlands Met Me.nl ken, en ben ik een middag te vinden in de speelopvang voor broertjes en zusjes van kinderen in het Prinses Máxima Centrum en het WKZ. Dit blok volg ik geen vak naast mijn scriptie en dus ik heb heerlijk veel tijd voor mijn lieve vrienden, huisgenoten, lunch in de zon op het balkon, kokkerellen met nieuwe vega recepten en het opblaasbad dat nét in de badkamer past. De week sluit ik af met een ontspannen zondag, waarop ik bewust alle to-do lijstjes los laat. Vaak ga ik dan naar de kerk en met familie de natuur in (oke, oke, soms binge ik ook gewoon een Netflix serie!). 

Bijbaan

Het grootste gedeelte van mijn bachelor heb ik naast mijn studie gewerkt. Via Lyceo heb ik gesurveilleerd, huiswerkbegeleiding gegeven, lessen opgevangen en een Opstap project gedaan met een havo-kans klas. Ik gaf brugklassers van het begin van het jaar tot de kerstvakantie een middag per week huiswerkbegeleiding en een workshop studievaardigheden. Door deze ervaringen ben ik enorm gegroeid, bijvoorbeeld in zelfverzekerd voor (puber!)groepen staan en samenwerken. Daarnaast is het als toekomstig onderwijskundige interessant om in veel verschillende scholen een kijkje in de keuken te krijgen!

Ik heb in de zomer van 2020 meegeholpen bij een zomerschool voor kinderen die nog niet lang in Nederland wonen. Stichting IMC Weekendschool verzorgt twee weken een programma met ’s ochtends een speelse taalles en ’s middags een workshop van een professional of excursie. Ook dit was een hele bijzondere ervaring als aanvulling op mijn studie.

Onderwijs

Ik ben Onderwijswetenschappen gaan studeren, omdat ik expert wilde worden op het gebied van leren, zodat ik als professional kan bijdragen aan een wereld waarin ieder kind toegang heeft tot kwaliteitsonderwijs. Het onderwijssysteem in Nederland slaagt hier gelukkig in grote mate in. Ik heb in die zin geen unieke visie op het onderwijs hier, hoewel ik natuurlijk weet van het lerarentekort, de kansenongelijkheid en de ongezonde prestatiedruk die kinderen voelen. Mijn favoriete vak van de afgelopen drie jaar was International Perspectives on Education. In mijn master wil ik mij graag verder verdiepen in het kruispunt waar onderwijs en ontwikkeling samenkomen. Daarom had ik mij naast de master Onderwijswetenschappen aan de UvA ook ingeschreven bij International Development Studies. Helaas ben ik niet toegelaten tot deze master. Desalniettemin heb ik heel veel zin om door keuzevakken, stage, vrijwilligerswerk en bijbanen mijzelf te specialiseren tijdens de OWW master.

Bedankt voor het lezen van deze blog! Mijn vraag aan de volgende blogger is: Als jij een nieuw vak zou mogen ontwerpen (voor welk niveau onderwijs dan ook, of gewoon Onderwijswetenschappen aan de UU), waar zou dat vak over gaan? Hele fijne dag verder!



woensdag 28 april 2021

Een kijkje in het leven van Charlotte

In deze blog leren we een van de medewerkers of studenten bij Onderwijswetenschappen beter kennen. Dit keer is dat docent Charlote Wang. Dit is de negende bijdrage in een regelmatig terugkerende serie.

Hallo, mijn naam is (Rui Yi) Charlotte Wang en ik ben docent bij Onderwijswetenschappen! Ik ben 26 jaar en woon sinds kort met mijn vriend in Gouda.

Studie & werk 

Ik heb van 2013 tot 2017 een bachelor Culturele Antropologie gedaan. In het collegejaar daarna heb ik de master Educational Sciences gedaan via de minor. Toen ik nog de master deed, had mijn scriptiebegeleider mij gevraagd of ik werkgroepen wilde begeleiden. Ik had altijd ooit voor de klas willen staan, dus ik deed mee! Het was ontzettend interessant, leerzaam en uitdagend, dus ik ben sindsdien blijven hangen bij de universiteit. Naast mijn gebruikelijke onderwijstaken, ben ik ook deel van de Opleidingscommissie en help ik mee aan het ‘Hier hoor ik thuis’ project. Dit project probeert de transitie naar de universiteit van nieuwe studenten te onderzoeken en verbeteren.

Het leukste van mijn werk is de combinatie van het theoretische en creatieve (en daarmee ook uitdagende) karakter. Je moet veel theorie leren en goed kunnen toelichten. Daarbij moet je jezelf creatief opstellen: Hoe kan ik op de juiste manier scaffolding toepassen? Hoe kan ik zelfsturend leren stimuleren? Hoe kan ik de voorkennis van studenten activeren op een (intrinsiek) motiverende manier? Hoe kan ik het onderwijs gepersonaliseerd maken? Hoe kan ik mijn eigen affiniteit voor onderwijs uitdrukken? Met zulke vragen houd ik vaak het perspectief van de student in gedachten. Ik krijg namelijk de meeste energie als ik ervaar dat mijn studenten de stof interessant vinden, begrijpen en uiteindelijk het eigen maken.

Vrije tijd 

Sinds ik mijn nieuwe woning heb, heb ik nieuwe en oude hobby’s opgepakt. Met mijn nieuwe kookeiland ben ik meer aan het koken en bakken. Met mijn nieuwe tekentablet ben ik meer digitaal aan het tekenen. Ik doe ook vechtsport (Naginata) en gegamificeerd fitness (Ringfit). Ik probeer ook een moestuintje te creëren op mijn balkon en ik ga regelmatig op bezoek bij mijn ouders of broers. Als ik naar mijn oudste broer ga, dan pas ik graag op mijn kleine babynichtje. In ieder geval kan ik mezelf prima bezighouden!

Vragen van/voor bloggers

De vraag van de vorige blogger was: “Als je een nieuwe stroming van onderwijs zou kunnen ontwerpen, hoe zou deze er dan uitzien en waarom? En in hoeverre wijkt deze af van de reeds bestaande onderwijsstromingen in Nederland?”. Ik zou niet zomaar een nieuwe stroming willen ontwikkelen, omdat dit, naar mijn mening, niet nodig is. In Nederland zijn we al vrij innovatief qua onderwijs. We hebben daardoor een rijke diversiteit aan onderwijsstromingen. Het zou verder veel tijd en moeite kosten om een nieuwe stroming te ontwikkelen of implementeren. Ik zou daarom eerder een bestaande onderwijsstroming aanpassen. Mocht ik toch een nieuwe onderwijsstroming ontwikkelen, dan zou ik een stroming ontwikkelen die leerlingen meer gelijke kansen kunnen aanbieden door middel van meer ouderbetrokkenheid. Steeds meer onderzoek laat zien dat dit een sterk bepalende factor is voor studiesucces. Ouders die sterk betrokken zijn, helpen bijvoorbeeld hun kinderen met hun huiswerk of initiëren educatieve activiteiten zoals een museumbezoek. Ik weet dat sommige ouders hiervoor niet in staat zijn: zij hebben hier de tijd of het geld niet voor. Of hun taal- of rekenvaardigheid is onvoldoende. Of zij willen graag hun kinderen ondersteunen, maar weten niet hoe. Enzovoort. Er zijn zelfs kinderen die opgevoed worden door anderen, zoals hun grootouders. 

‘Mijn onderwijsstroming’ zou de brug tussen ouders en leerlingen verkleinen. Zo zou een school regelmatig activiteiten organiseren waarbij ouders hun kinderen helpen met hun huiswerk. Dit zou bijvoorbeeld in de avond of weekend kunnen zijn waarbij de kinderen een verhaal voorlezen voor hun ouders (of andersom) en dat ze elkaar feedback geven of vragen stellen. De focus van ‘mijn onderwijsstroming’ ligt daarbij aan gelijke kansen bieden, terwijl andere bestaande onderwijsstromingen misschien meer focussen op specialisatie of differentiatie. (Ik ben overigens meer gespecialiseerd in volwassenonderwijs en lesontwerp dan basis/middelbaar onderwijs en onderwijsbeleid. Ik weet daarom bijvoorbeeld niet hoe valide of realistisch mijn uitspraken zijn.) 

Mijn vraag voor de volgende blogger is: Wat doe je regelmatig (of wil je graag ooit doen) waarvan je weet dat het eigenlijk heel stom is? (En waarom?) Voorbeelden zijn: een hele taart opeten, een tijger aaien terwijl je allergisch bent, parachute springen terwijl je hoogtevrees hebt, de hele Pi-reeks onthouden. 

Dank je wel voor het lezen van mijn blog!

dinsdag 6 april 2021

Een kijkje in het leven van Merel

In deze blog leren we een van de medewerkers of studenten bij Onderwijswetenschappen beter kennen. Dit keer is dat ALPO-studente Merel den Hertog. Dit is de achtste bijdrage in een regelmatig terugkerende serie.


Wie ben je?

Hé, hallo! Ik ben Merel den Hertog en ben gevraagd om een nieuwe blog te schrijven, super leuk! Ik ben 19 jaar en woon nog thuis in Arkel. Ik ben tweedejaars ALPO-studente. Ik heb voor de ALPO gekozen, omdat de combinatie tussen de praktijk van de Hogeschool Utrecht en het theoretische deel van de Universiteit Utrecht mij heel erg aansprak. Ik breng mijn (weinige) vrije uurtjes door met werken in De Buurvrouw & De Buurman in Gorinchem en de Coop in het dorp. Daarnaast pas ik op bij een aantal adresjes.


Hoe ziet jouw week eruit?

Mijn weken zijn vaak gevuld, maar met het thuisonderwijs is dit wel wat minder geworden. Omdat ik een heel stuk minder hoef te reizen, scheelt dit mij zo’n 2,5 uur op een dag!

Op de maandagen volg ik momenteel de ‘Wereldvakken’ van de Hogeschool. Hierbij wordt zowel de kennis, als didactiek van de vakken geschiedenis, aardrijkskunde en natuur & techniek aangeboden. Wat betreft de Universiteit volg ik nu ‘Ontwerpen van Leersituaties Gevorderd’. Momenteel ben ik samen met mijn projectgroep hard aan het werk om de legitimering en het micro- en macro-ontwerp af te ronden. We hebben hierbij als complexe vaardigheid gekozen voor het voorbereiden en voeren van een debat in het basisonderwijs. We meeten vaak op woensdagmiddag, waarbij we de opdracht doorspreken en zoveel mogelijk samen proberen te doen. Vaak moet ik iets eerder weg, omdat ik 's middags muziekklas heb op locatie! Volgend jaar hoop ik de muziekklas af te ronden. Als dat is gelukt, heb ik een extra papiertje ‘Vakdocent Muziek’! Muziek is iets wat ik door de week heen ook doe: piano spelen, zingen (vooral onder de douche, haha!) en ukelele spelen. 


Op donderdag loop ik stage: het leukste moment van de week! Momenteel loop ik op een school met faseonderwijs, in fase 16/16+. Faseonderwijs houdt in dat leerlingen na een halfjaar door kunnen naar een volgende fase. Zij kunnen dan ook een half jaar versnellen of blijven zitten, in plaats van een heel jaar. Als je de fase 16/16+ zou vertalen naar het regulier basisonderwijs, dan zouden de kinderen in groep 8 zitten. Die kinderen kunnen een halfjaar hebben versneld of ze zijn in groep 1 in februari begonnen aan de basisschool. De kinderen in de stageklas die ik nu heb, zijn engeltjes. Ik heb nog nooit zoiets gezien, haha! Soms een tikje saai, maar ik vind het leuk om hier op een andere manier uitdaging in te zoeken. Natuurlijk komt het lesgeven en theorie vanuit de HU naar voren in de praktijk, maar het leuke aan de ALPO is dat het daar niet bij blijft. Ook de OWW kant komt naar voren tijdens stage. Ik vind het vaak leuk om een lesmethode of docentenhandleiding door te bladeren en deze kritisch te bekijken. Het gedrag van leerlingen binnen de groepsdynamiek blijft me ook eindeloos boeien. De toegevoegde waarde van OWW binnen de ALPO is voor mij dan ook het kritisch kunnen analyseren en steeds met een andere blik naar het onderwijs blijven kijken.

Op vrijdag ben ik vrij. Dan ga ik vaak werken, werk ik de literatuur bij of plan ik wat dingen in voor de week erna. Op dinsdag beachvolleybal ik in Hardinxveld-Giessendam. Ik speel bij OKK'70 DS1 in Hardinxveld, normaal gesproken in de zaal en 's zomers op het beachveld. Maar nu dat niet kan, gaan we vervroegd beachen. Daarnaast probeer ik minimaal vier keer in de week een workout te doen of een rondje te lopen (voor mijn mede-ALPO'ers: zitten jullie al in het ALPOmmetje team?! En voor de OWW’ers: zitten jullie al in het OWWandelen team?!). Sport vind ik dan ook heel belangrijk in deze gekke tijd, het houdt je scherp. En ook zie ik de meiden uit mijn team weer eens, altijd een feestje!

Op zaterdagochtend beach ik ook! De rest van het weekend werk ik en normaal gesproken spreek ik veel af met vrienden, maar ook dat is een heel stuk minder door de lockdown.

Ik post ook regelmatig wat op mijn juffen-Instagram (@jufmerel_). Zoek je dus nog inspiratie voor lessen, wil je een kijkje in mijn leven als juf in spé of vind je het gewoon leuk, volg me dan vooral even ;).


Waar haal je het meeste plezier bij je studie?

Ik haal het meeste plezier uit het contact met medestudenten en docenten. Ik ben een echt mensen-mens, dus deze lockdown is wat dat betreft een verschrikking, haha! Ook het stagelopen vind ik geweldig! Ik haal veel energie uit het werken met kinderen. Op dit moment zie ik mezelf na de opleiding dan ook eerst wat jaartjes voor de klas staan, misschien onderwijl ik nog een deeltijd master volg. Welke dit wordt? Ik heb nog geen idee… In ieder geval heb ik nog genoeg tijd om daar over na te denken! Ook het werken in het buitenland lijkt me een ervaring! Het voordeel van de ALPO is dan ook dat je eigenlijk alles binnen het onderwijs kunt doen.


Wat is jouw visie op het huidige onderwijs in Nederland?

Het leuke aan het onderwijs in Nederland vind ik dat er zoveel verschillende stromingen zijn: vernieuwingsonderwijs, christelijke scholen, openbare scholen of scholen met faseonderwijs waar ik nu bij stageloop. Ik denk dat, kijkend naar de verschillen en overeenkomsten, iedere school daarin zijn eigen bijdrage levert aan het onderwijs en daarmee de maatschappij. Ik denk dan ook dat iedereen een verschil kan maken in de maatschappij, bijvoorbeeld door onderwijs. 

Daarmee kom ik meteen bij de vraag van Lotte, die de vorige blog heeft geschreven. En dat was de volgende: vind jij dat we ons als onderwijswetenschappers voldoende laten zien in het maatschappelijk debat rondom gelijke onderwijskansen? Of zouden we dat meer moeten doen, en hoe dan? Dankjewel Lotte, voor deze pittige vraag! En natuurlijk nog gefeliciteerd met je prachtige prijs!

Ik vind dat wij als (afgestudeerd) onderwijswetenschapper (of ALPO’er) veel afweten van allerlei vlakken in het onderwijs en je getraind bent om deze vanuit meerdere perspectieven te analyseren. Ik denk dat het zonde is om deze diversiteiten aan kennis niet in te zetten in een debat als deze. Naar mijn mening heeft het onderwijs (basis-, voortgezet- of hoger onderwijs) een belangrijke rol in de maatschappij: er wordt opgevoed, door onderwijs ontdekken kinderen hun talenten en interesses en er wordt –niet geheel onbelangrijk- kennis bijgebracht. Ik denk wel dat er altijd ruimte voor verbetering moet zijn, dat onderwijswetenschappers daarnaar op zoek zouden kunnen gaan. Voor mij is het dan ook een feit dat ieder kind gelijke kansen moet krijgen om tot optimaal leren te kunnen komen. Daarbij moet zeker ook gekeken worden naar de talenten van een kind, in plaats van waar het kind zou kunnen achterblijven of waar het in tekort komt. 

Ik denk dat we ons als onderwijswetenschappers onvoldoende laten zien in dit debat. Als onderwijswetenschapper ben je een ruimdenkende professional die hier zeker (minimaal) een adviserende functie bij zou kunnen innemen. Ik denk bijvoorbeeld aan (het ontwerpen van) scholing of cursussen voor het bewustmaken van directie en leraren. Een voorbeeld van invulling van deze scholing: hoe je ongelijkheid binnen een school zou kunnen vermijden en gelijkheid juist kan stimuleren. Bewustmaking is één, actie is twee. Er valt denk ik ook winst te behalen in de koppeling praktijk-theorie. Je hebt te maken met diversiteit op allerlei manieren: diversiteit in leerlingen en prestaties, docenten -in normen en waarden, maar ook in leeftijden. Collega’s onder elkaar kunnen hier ook een meerwaarde bij hebben, door elkaar op ongelijkheid te wijzen. Ik denk dat je als onderwijswetenschapper in gesprek kunt gaan met het werkveld en ervaringen kunt uitwisselen en onderzoeken, waardoor je weet waar de verbeterpunten zouden kunnen liggen. 


Wat is je droom voor het onderwijs?

Mijn droom voor het onderwijs is dat er meer gekeken wordt naar wat een kind wél kan en waar zijn of haar talenten liggen en dit ook wordt benut. Een leerlingvolgsysteem zegt niet altijd alles. Geef een kind de ruimte, de tijd en mogelijkheden om te groeien, dan komt de rest vanzelf.


Wat wil je docenten meegeven?

In deze gekke tijd doen jullie het erg goed, respect daarvoor. Maar soms mag er wel even een extra pauze tussendoor, haha! Nee, zonder gein: het is te hopen dat we elkaar gauw fysiek kunnen treffen, want laten we eerlijk zijn: we hebben niet voor niets gekozen om te gaan studeren –dat is niet om de gehele dag achter een laptop te zitten. En voor onze docenten in spé/medestudenten: ondanks dat het lastig is in deze tijd om te studeren, doe je het toch maar even. Het wordt beter, echt!


Heb je nog een leuke vraag voor de volgende blogger?

Als je een nieuwe stroming van onderwijs zou kunnen ontwerpen, hoe zou deze er dan uitzien en waarom? En in hoeverre wijkt deze af van de reeds bestaande onderwijsstromingen in Nederland?


Heb je nog leuke luister of leestips? (Denk aan een interessant boek of een podcast.)

Alle boeken gerelateerd aan Meester Mark vind ik heel leuk. Ook het boek Juf, er is een kind kwijt vind ik heel tof. Dit zijn dan ook zeker aanraders! 

Zo, genoeg getypt denk ik zo! Tijd om van het zonnetje te genieten. Nog 13 weken tot de zomervakantie, you got this!


dinsdag 23 maart 2021

Een kijkje in het leven van Lotte

 In deze blog leren we een van de medewerkers of studenten bij Onderwijswetenschappen beter kennen. Dit keer is dat docent en onderzoeker Lotte Henrichs. Onlangs werd zij verkozen tot docent van het jaar 2020-2021 van de Universiteit Utrecht. Dit is de zevende bijdrage in een regelmatig terugkerende serie.


Twee weken geleden viel mij de grote eer ten deel dat ik de UU Docent van het Jaar prijs in ontvangst mocht nemen (en ik was al zo blij met mijn VOCUS mok!) – niet zo gek dat VOCUS en de Inspraak mij daarom verzochten om in dit blog iets over mezelf te vertellen. 

Wie ben je en wat drijft je in je werk?

Mijn naam is Lotte Henrichs. Ik ben als universitair docent verbonden aan Onderwijswetenschappen en geef voornamelijk onderwijs in beide lerarenopleidingen: ALPO (voor primair onderwijs) en GST (voor voortgezet onderwijs). In mijn werk probeer ik voortdurend de brug te slaan tussen mijn eigen onderwijs aan academische studenten, de onderwijspraktijk van het onderwijs aan po- en vo leerlingen en het samenwerken met ‘zittende’ leraren om onderwijskwaliteit op een onderzoekende manier te versterken. Die link tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk is altijd belangrijk voor geweest, en ik vermoed dat dat ook altijd zal blijven. Voor het ‘bouwen van die bruggen’ kreeg ik de docentprijs, dus kennelijk lukt het goed om jullie te overtuigen van hoe belangrijk en leuk de link tussen onderzoek en praktijk is.

Hoe ben je in je huidige baan terecht gekomen?

Toen ik aan de UvA Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde studeerde, moest ik na het eerste jaar kiezen voor een van de twee studies. Na lang wikken en wegen koos ik voor Pedagogische Wetenschappen, en ik weet nog dat mijn moeder zei: “Volgens mij past Onderwijskunde veel beter bij jou”. Die moeders, waarom hebben ze toch zo vaak gelijk? Ik zal even uitleggen hoe mijn omzwervingen mij uiteindelijk toch bij Onderwijswetenschappen aan de Universiteit Utrecht hebben doen belanden.

Na mijn promotieonderzoek, dat zich richtte op het type taalgebruik dat (impliciet) van kinderen verwacht wordt in een schoolse setting (ook wel schooltaal, of academic language genoemd), begon ik aan een postdoconderzoek aan de UU bij Pedagogische Wetenschappen. Al tijdens die periode, zo rond 2012, raakte ik betrokken bij de ALPO. De cursus die ik eerst als werkgroepdocent begeleidde, werd langzaamaan ‘mijn cursus’. Een cursus over kansen(on)gelijkheid in het onderwijs die ik nog elk jaar bijschaaf, aan de actualiteit aanpas en interactiever maak. Omdat ik in mijn postdoconderzoek ervaring had opgedaan met praktijkgericht onderzoek en professionaliseringsactiviteiten van professionals, kon ik daarna bij Onderwijsadvies & Training aan de slag als onderwijskundig adviseur. Daar leerde ik weer bij over onderwijsontwerp, het leren van professionals en toegepast onderzoek. Dat onderzoek doen bleef mij het meest trekken, dus toen ik in 2019 als UD kon beginnen met onderzoekstijd, was ik enorm blij.

Hoe ziet een week voor jou eruit?

Een van de weinige fijne dingen van het thuiswerken is dat ik mijn kinderen – een tweeling van negen jaar - nu elke dag naar school kan brengen. Nu merk ik pas hoe gezellig ik dat vind en dat gemist heb. Mijn partner en ik werken nu allebei meestal thuis, dus als de kinderen terug uit school zijn, trekken we ons allebei terug in een eigen werkkamer (nou ja, ik heb de werkkamer ingepikt, hij neemt genoegen met de slaapkamer) en gaat Teams aan. Ik kom in een gemiddelde week veel verschillende mensen tegen, en dat maakt het werken zo leuk. Studenten tijdens onderwijs, collega’s tijdens werkoverleg, partners uit het werkveld bij overleggen van de werkplaatsonderwijsonderzoek, leerkracht-onderzoekers waarbij ik meedenk over hun praktijkonderzoek, bestuurders in het impact team Corona en onderwijskwaliteit van de PO raad en een keer in de paar maanden externe collega’s van de kenningscommissie effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut. Heel veel plezier en voldoening haal ik nu uit een onderzoeksproject samen met twee alumni van de master Educational Sciences, en zes student-onderzoekers van de ALPO en Onderwijswetenschappen waarin we onderzoeken welke elementen uit het afstandsonderwijs in PO en VO zich lenen voor de toekomst.  In mijn vrije uurtjes ga ik graag hardlopen, iets met mijn gezin ondernemen of lezen. Volgens man en kinderen ben ik niet meer aanspreekbaar als ik letters voor mijn neus heb. Ik kan er niets aan doen.

Antwoord op de vraag van de vorige blogger:

Welke ontwikkelingen in het onderwijs van het afgelopen jaar vind jij waardevol en zou jij graag willen behouden na de lockdown?’ 

Ik denk dat de manier waarop leerkrachten in het primair onderwijs inzicht hebben gekregen in heel specifieke ondersteuningsbehoeften van leerlingen, ten goede zou kunnen komen aan het onderwijs dat ze nu geven. Je kunt dan denken aan het gerichter ondersteunen van ouders, maar ook aan bijvoorbeeld differentiëren in de klas: De instructievideo’s die gemaakt zijn voor het afstandsonderwijs, kunnen in veel gevallen opnieuw gebruikt worden en tegemoet komen aan de behoefte van leerkrachten om veel vaker in kleine groepjes te werken. Ik zie daar wel mogelijkheden. Ook voor wat betreft ons eigen onderwijs, zie ik de mix van korte theoretische kennisclips in combinatie met interactieve vragenuurtjes waarin je de diepte in kunt en theorie aan praktijk kunt koppelen zeker zitten. Daar leer ik als docent ook meer van dan van anderhalf uur hoorcollege geven…

Mijn tip voor studenten?

Als je soms het gevoel hebt dat je niet weet wat je wilt: laat je leiden door je ‘inner sparkle’. Als je enthousiast en nieuwsgierig (of heel boos) wordt van iets wat je leest, hoort, of tegenkomt, ga er dan in mee en zoek uit hoe je daar verder in komt. Het brengt je vaak daar waar je zijn moet.

Heb je een podcast tip?

Ik heb ‘Nice White Parents’ verslonden. Over goedbedoelde initiatieven in New York om segregatie op scholen terug te dringen. En vervolgens alleen maar meer polarisatie bereiken… pijnlijk, maar inzichtvol en leerzaam. En als ik zin heb in wat luchtigs luister ik graag naar ‘Ik ken iemand die’, voor en door ouders die zichzelf niet al te serieus nemen en uitgebreid bespreken dat ze ook maar gewoon wat doen. Fijn vind ik dat. Deze podcast is op Spotify en andere podcastplatformen te luisteren. 

Vraag aan de volgende blogger:

Vind jij dat we ons als onderwijswetenschappers voldoende laten zien in het maatschappelijk debat rondom gelijke onderwijskansen? Of zouden we dat meer moeten doen, en hoe dan?