maandag 20 januari 2014

Teaching others: Toch een kern van waarheid in de leerpiramide?

Op deze blog kwam de leerpiramide al eens voorbij. Bij deze piramide kun je vraagtekens zetten. Dat deden wij niet alleen, maar ook bijvoorbeeld @thebandb op zijn blog. Vooral de percentages die genoemd worden in deze piramide worden dan bekritiseerd.
De leerpiramide: Edukul of kern van waarheid?
Toch zit er misschien een kern van waarheid in deze piramide. Je hoort bijvoorbeeld wel eens mensen opmerken dat de beste manier om iets te leren is, is om het te onderwijzen aan een ander. Dit verwijst naar de ‘basis’ van de piramide.

Een recent onderzoek van Fiorella en Mayer (2014) suggereert dat er inderdaad misschien een kern van waarheid in de leerpiramide schuilt. Fiorella en Mayer deden twee experimenten waarbij studenten een korte les over het Doppler Effect moesten bestuderen. In het eerste onderzoek stond het teaching expectancy effect centraal. Kan de verwachting dat je iets aan een ander moet onderwijzen ertoe leiden dat je meer leert? In het eerste experiment kreeg de ene groep studenten, de controlegroep, dus de opdracht om de les over het Doppler Effect te bestuderen en werd hen daarbij verteld dat ze vervolgens een toets over de inhoud moesten maken. De andere groep, de teaching expectancy groep, bestudeerde dezelfde les, maar nu met de verwachting dat daarna zelf een korte les over het onderwerp moesten gaan geven. De resultaten van het eerste onderzoek lieten zien dat studenten in de teaching expectancy groep, significant beter presteerden op een toets met begripsvragen dan de controle groep (d = +0.55). Uit aanvullende analyses bleek verder dat deze groep bijvoorbeeld aangaf meer moeite gestoken (mental effort) te hebben in bestuderen van de les over het Doppler Effect en het bestuderen van deze les ook leuker vonden.
De resultaten van dit eerste experiment laten zien dat de verwachting om iets te moeten onderwijzen al kan leiden tot betere prestaties op een begripstoets. In het tweede experiment onderzochten de auteurs of het daadwerkelijk onderwijzen daarbij nog een meerwaarde had. Bovendien onderzochten ze in het tweede experiment niet de korte termijneffecten maar de effecten op wat langere termijn (één week).

Er werden nu twee variabelen gemanipuleerd. Ten eerste werd bij studenten de verwachting gewekt dat ze ofwel een toets zouden gaan maken over dezelfde les over het Doppler Effect, ofwel een korte les moesten geven over dit onderwerp. Ten tweede moest de ene helft van de studenten daadwerkelijk een les geven over het onderwerp en de andere helft niet. Zo ontstonden er dus vier groepen: (1) toets verwachting – niet onderwijzen, (2) toets verwachting – wel onderwijzen, (3) onderwijs verwachting – niet onderwijzen, en (4) onderwijs verwachting – wel onderwijzen.
De resultaten van dit tweede experiment laten zien dat op de langere termijn de laatste groep, de groep die dus verwachtte les te moeten gaan geven en dat ook daadwerkelijk ging doen, het beste presteert op een begripstoets (d = +0.56). Enigszins verrassend presteerde groep 3, de groep die verwachtte les te gaan geven, maar dat niet hoefde te doen, het slechtst (d = -0.27). De auteurs concluderen dan ook dat voor de korte termijn de verwachting les te moeten gaan geven (teaching expectancy) al effectief kan zijn. Voor de langere termijn is het echter wel nodig dat studenten ook daadwerkelijk onderwijzen.

Je kunt je dus afvragen of het percentage dat onderaan bij de leerpiramide genoemd wordt wel klopt (90%). In het onderzoek van Fiorella en Mayer lag dit percentage in ieder geval een stuk lager: uit een maximumscore van 28 scoorde de groep die moest onderwijzen en dat ook verwachtte te doen gemiddeld 7 punten. Dit percentage (25%) ligt een stuk lager dan de voorspelde 90%. Toch zou het wel eens kunnen kloppen dat het onderwijzen aan anderen effectiever is dan bijvoorbeeld alleen erover lezen.

Fiorella, L., & Mayer, R. E. (in press). Role of expectations and explanations in learning by teaching. Contemporary Educational Psychology. doi: 10.1016/j.cedpsych.2014.01.001

donderdag 14 november 2013

Onderwijskunde in Utrecht is wederom een topopleiding

De jaarlijkse Keuzegids van Nederlandse Universiteiten is weer verschenen. De beste Bacheloropleidingen kregen op basis van het totaal aantal behaalde punten in de keuzegids het predikaat 'topopleiding'. Dertien opleidingen aan de Universiteit Utrecht haalden een eerste plek in vergelijking met andere studies, en elf daarvan verdienen het predikaat 'topopleiding'. Tot ons genoegen is onze opleiding Onderwijskunde net als vorig jaar een van die opleidingen. Daarom mogen wij onszelf als een van de beste bacheloropleidingen van Nederland beschouwen en het kwaliteitszegel overal laten zien. Uiteraard streven we ernaar de kwalificatie topopleiding ook in volgende jaren te prolongeren!

vrijdag 11 oktober 2013

Reünie Onderwijskunde Utrecht voor oud-medewerkers en afgestudeerden op 12 november 2013

Op dinsdag 12 november organiseren wij de Utrechtse Onderwijskunde dag. Onderdeel van deze bijzondere dag is een reünie in Utrecht van alumni van de opleiding Onderwijskunde (voor de ouderen: Schoolpedagogiek). De organisatiecommissie bestaat uit Frans Teunissen, Pieter Appelhof, Pieter Span, en Gellof Kanselaar.
Het ochtendprogramma (en aansluitend het middagprogramma) is voor de alumni die voor 1985 zijn begonnen als medewerker of afgestudeerd zijn voor 1985. In de ochtend wordt gereflecteerd op de eigen idealen met betrekking tot onderwijskunde en wat daarvan terecht is gekomen.
Het middagprogramma is voor degenen die na ongeveer 1985 als medewerker bij onderwijskunde zijn gaan werken en/of na die datum zijn afgestudeerd. De blik is dan vooral op het recente verleden en de toekomst van Onderwijskunde Utrecht gericht.
Op de Website http://edu.fss.uu.nl/reunie kun je het programma van de dag vinden en daar vind je ook de link naar de Aanmeldingsprocedure.
Wij stellen het op prijs als je collega-alumni die je kent op de hoogte stelt van deze reünie!

vrijdag 4 oktober 2013

Het lef om te falen

Achterop het nieuwste nummer van Surf Magazine (nummer 3 van 2013, verschenen eind september) staat een 'Trendwatching'-column van mijn hand. Hieronder heb ik de tekst van deze column nogmaals geplaatst.
Kent u de opening van de met Oscars overladen film Amadeus? De prachtige openingsmuziek is de vijfentwintigste symfonie van Mozart. Frappant is dat sommige musicologen vinden dat de achttienjarige Mozart wel lef toont, maar dat de symfonie een mislukt voorproefje is van de veel beroemdere veertigste. Mislukken met een meesterwerk! Daar komt een prachtige levenswijsheid uit voort: “Heb het lef om te falen.” Dat is waar het lopende debat over de start van de eerste 'Steve Jobsscholen' me aan doet denken. Initatiefnemer Maurice de Hond zal het zeker niet vervelend vinden om met Mozart te worden vergeleken, maar de grote vraag is of de scholen, waarop een mengelmoes van onderwijsvernieuwingen wordt losgelaten – met als centraal element tablets (geheel toevallig iPads) – een succes zullen worden. Mag je wel zo experimenteren met onderwijs? Misschien wel. Sterker: misschien kan onderwijs alleen werkelijk vernieuwen als iemand lef toont: het lef om te falen. Dat is wellicht wat critici van de aanpak van de Hond (en zijn paladijnen bij O4NT) soms niet willen zien: dat onderwijsvernieuwing een bepaalde koppigheid (vaak verward met 'visie') vereist. Een ongemakkelijke, misschien wel gevaarlijke koppigheid, maar wel een die past bij de ongemakkelijke, misschien wel gevaarlijke tijd waarin we leven.

Intussen gaat de discussie voornamelijk over het exclusieve gebruik van iPads en over de keuze om de onderwijsfilosofie te verbinden met de naam en dus de persoon Steve Jobs en zijn bedrijf Apple. Wie wil het lot van zijn kinderen in de handen van een groot Amerikaans bedrijf leggen? Sinds de ophef over PRISM zijn we er wellicht gevoeliger voor dan daarvoor, ondanks dat met name het hoger onderwijs er nooit moeite mee gehad heeft haar ziel aan de vroegere duivel Bill Gates te verkopen. De eerste Steve Jobsscholen zijn inmiddels van start gegaan. Wie de school in Breda binnenstapt wordt begroet door een grijnzende Steve Jobs aan de muur. “Big Brother is watching you” lijkt de ironische boodschap.
En toch: als onderwijskundige ben ik nieuwsgierig. Naar mijn idee zou het motto moeten zijn: vergeet de naam, focus op het werk op de scholen, doe onderzoek, en help de school waar nodig. Maurice de Hond is Mozart niet, maar we zijn het aan onze stand verplicht om het hem te gunnen om eventueel te falen, en dan wel op dezelfde magnifieke manier als Mozart dat deed.

vrijdag 27 september 2013

De studiekeuze: een dilemma in de puberteit?

Onderstaande bijdrage is geschreven door Onderwijskundestudent Marije Blankvoort.

Marije Blankvoort
Na het winnen van de Best Abstract Award 2013, heb ik de mogelijkheid gekregen om hier te schrijven over mijn masterthesisonderzoek naar de motivatie, interesseontwikkeling en de rol van anderen in het studiekeuzeproces van leerlingen van havo en vwo. Dit onderzoek voor de masteropleiding Onderwijskundig Ontwerp en Advisering is uitgevoerd in het themagebied ‘Interesseontwikkeling van leerlingen en studenten’ en gerelateerd aan vijf andere scripties over interesseontwikkeling.
 
Emma en Joris zijn twee leerlingen die zich, samen met zo’n 207.000 andere eindexamenkandidaten, voorbereiden op het eindexamen 2013. Met het naderen van het eindexamen, worden zij steeds vaker geconfronteerd met de vraag: ‘Weet je al wat je na de zomervakantie gaat studeren?’. Voor Emma is het gemakkelijk om deze vraag te beantwoorden. Zij weet al van kinds af aan dat zij dokter wil worden. Welke stappen zij gaat nemen om haar toekomstdroom waar te maken, weet zij haarfijn uit te leggen. Voor Joris is de toekomst echter nog een groot zwart gat. Hij verzucht: ‘Wat ik ga doen, is een blinde gok in plaats van een wijs besluit’. Joris is verblind door de vele keuzemogelijkheden en acht zichzelf niet in staat een weloverwogen keuze te maken. De studiekeuze zou hij het liefst overlaten aan de docenten, want zo meent hij, ‘die kennen jou toch beter dan je zelf doet’.

Zowel Emma als Joris is geen geval op zich, maar zij zijn typerend voor een tweedeling die gemaakt kan worden onder de eindexamenkandidaten. Adolescenten groeien tegenwoordig op in een maatschappij die sterk is gericht op prestaties. Zij worden grootgebracht met de gedachte dat de wereld aan hun voeten ligt en dat de mogelijkheden onbegrensd zijn. Enerzijds is hierdoor een groep hoogvliegers ontstaan, die weet waarvoor zij wil gaan. De leerlingen in deze groep zijn zelfredzaam en ambitieus en volgen hun passie. Anderzijds is er een groep leerlingen die de toegenomen vrijheid en een scala aan keuzemogelijkheden als lastig ervaart. Deze leerlingen hebben moeite met de overvloed aan informatie die op hen afkomt en die de keuzes complex maakt. Wanneer zij niet weten wat zij willen en worstelen met de prestatiedruk, ligt keuzestress op de loer.
In de onderzoekswereld is de aandacht voor de moeilijkheden die kunnen ontstaan bij het maken van school- en studiekeuzes in de afgelopen jaren toegenomen. In de literatuur wordt genoemd dat veel adolescenten moeilijkheden in het studiekeuzeproces ervaren vanwege de vele keuzemogelijkheden (bv. Gati & Asulin-Peretz, 2011). Bovendien maakt de grote hoeveelheid bijna-gelijke studies de studiekeuze vaak nog moeilijker voor eindexamenkandidaten. Een voorbeeld hiervan zijn de 33 managementstudies op hbo-niveau die slechts een nuance van elkaar verschillen. De Amerikaanse onderzoeker Schwartz (2009) beweert dat keuzevrijheid en autonomie in belangrijke mate bijdragen aan welzijn, maar dat te veel keuzes kunnen leiden tot keuzeverlamming en zo een averechts effect teweeg kunnen brengen. Neuropsycholoog Jolles (2006, 2007) benadrukt dat het moeten nemen van beslissingen die het leven sterk kunnen beïnvloeden, moeilijkheden kan opleveren voor 16- of 17-jarigen omdat de hersenen nog niet zijn volgroeid. Hierdoor kunnen zij de gevolgen op de lange termijn niet altijd overzien. Gati en Amir (2010) stellen eveneens dat bij de studiekiezers door de complexiteit van de keuzes onzekerheid kan ontstaan over zichzelf en de te kiezen opleidingen.

Met Emma en Joris heb ik gesproken in het kader van mijn masterthesisonderzoek naar het studiekeuzeproces van leerlingen van havo en vwo. Naast Emma en Joris heb ik zes andere leerlingen geïnterviewd en vragenlijsten bij 141 leerlingen uit de eindexamenklassen afgenomen om inzicht te krijgen in de rol van intrinsieke motieven, zoals persoonlijke interesse, en externe factoren in de totstandkoming van de studiekeuzes. Een rondvraag in de klas om na te gaan hoeveel leerlingen de studiekeuze al gemaakt hebben, leert dat halverwege het examenjaar ongeveer zestig procent van de laatsteklassers de studiekeuze al gemaakt heeft. Veertig procent van de laatsteklasser twijfelt nog of heeft helemaal geen idee over de studiekeuze. Vanuit de overheid wordt door de invoering van de langstudeermaatregel en het sociaal leenstelsel de druk opgevoerd om efficiënt, dus zonder vertraging of studiewisselingen, een studie in het hoger onderwijs af te ronden. De examenkandidaten die nog niet weten wat zij gaan studeren, voelen hierdoor druk om meteen een juiste studiekeuze te maken. ‘Als ik verkeerd kies, heeft dat financiële gevolgen. Ik moet maar meteen weten wat de beste keuze is’, aldus een leerling. Met het oog op de verschillen tussen de leerlingen, was het doel van het onderzoek om na te gaan of de leerlingen die de studiekeuze halverwege het examenjaar al hebben gemaakt, andere motieven meewegen in hun studiekeuze dan de leerlingen die hun studiekeuze op dat moment nog niet hebben gemaakt.

Uit de analyses van mijn onderzoek blijkt dat leerlingen die de studiekeuze al gemaakt hebben, de intrinsieke motieven significant zwaarder meewegen in hun studiekeuze dan de leerlingen die de studiekeuze nog niet hebben gemaakt. Een leerling die de studiekeuze al heeft gemaakt, vertelde: ‘Ik kies voor mijn eigen genoegdoening. Ik moet er gelukkig van worden in de toekomst. Ja, er zijn mensen die zeggen: ik vind dat die studie niet bij jou past. Ik zeg dan: ja, dat is heel leuk, maar ik vind dat zelf wel.’ De interesseontwikkeling en het keuzeproces van deze leerlingen verloopt vaak continu en doelgericht. De keuzes sluiten aan op de interesses en de toekomstbeelden van de leerling. Aan de andere kant ontwikkelt de interesse van de leerlingen die nog niet over de studiekeuze uit zijn, discontinu. Zij hebben de profielkeuze gemaakt op basis van wat zij toen interessant vonden. De interesse is in de meeste gevallen afgenomen, waardoor zij nu niet weten in welke richting zij de studiekeuze zoeken. Anders dan de leerlingen die de studiekeuze al hebben gemaakt, raadplegen de leerlingen die moeite hebben met hun studiekeuze anderen om hun mening over henzelf na te gaan. Zij vragen bij anderen na welke studiekeuze bij hen past. De reactie van een leerling die de keuze nog niet had gemaakt, luidde: ‘Anderen kennen jou toch en weten hoe je bent. Zij kunnen zeggen of een studie bij je past’. Deze bevindingen komen overeen met de theorie dat individuen met een identiteitsstatus die niet ‘self-constructed’ is, keuzes in hogere mate laten afhangen van extrinsieke motieven, zoals goedkeuring van anderen en status (Flum & Blustein, 2000).

De leerlingen die de studiekeuze al gemaakt hebben, geven aan dat zij voornamelijk kiezen vanuit hun eigen interesse. De intrinsieke motieven wegen voor hen zwaarder bij het maken van de studiekeuze. Intrinsieke motivatie zou leiden tot een betere prestatie, meer volharding en creativiteit en wordt hierdoor gezien als een belangrijke voorspeller voor het succesvol doorlopen van een studie (Deci & Ryan, 2000). Hoewel de leerlingen die de studiekeuze al gemaakt hebben zelf centraal staan in hun keuzeproces, zijn de leerlingen die de studiekeuze nog niet gemaakt hebben meer extern gericht bij het maken van de studiekeuze. Aangezien deze laatste groep kampt met twijfel, frustratie en verwarring, is het belangrijk dat hulp en begeleiding wordt geboden aan de leerlingen die moeite hebben met het maken van de studiekeuze. Deze hulp kan er bijvoorbeeld op gericht zijn om de leerlingen te helpen hun eigen interesses te ontdekken en hun sterke eigenschappen te herkennen. Zo zouden de ouders, decaan en docenten van de leerling, de reflectieve leerprocessen kunnen stimuleren waarbij de leerling zijn gedachten centraal stelt en zijn motivatie expliciet maakt. Ook kan de leerling worden aangezet tot actie om bijvoorbeeld de universiteit of hogeschool te bezoeken voorafgaand aan de definitieve studiekeuze. Wanneer leerlingen tot een bewuste studiekeuze komen waarbij zij kiezen vanuit de eigen interesses en de eigen talenten en ambities herkennen en benutten, kan dit wellicht zelfs leiden tot een verlaging van het relatief hoog drop-out percentage van eerstejaarsstudenten in het hoger onderwijs.

In elke eindexamenklas is een verscheidenheid aan leerlingen te vinden die elk op hun eigen wijze omgaan met het maken van de studiekeuze. Zo zijn er de Emma’s die zich vol enthousiasme storten op die ene specifieke opleiding, de Jorissen die de studiekeuze het liefst zo lang mogelijk uitstellen en de twijfelaars die maar geen keuze kunnen maken tussen twee of meerdere studieopties. Uiteraard zijn er studenten die de studiekeuze al jaren met zekerheid vastgesteld hadden, maar die er na één of enkele jaren achter komen dat de gekozen studie toch niet de juiste blijkt te zijn. Tegelijkertijd zijn er late beslissers die de vele mogelijkheden erkennen en overwegen en pas op het laatste moment de definitieve keuze voor een opleiding maken, die de ideale match blijkt te zijn voor de leerling. Of de vroege beslissers minder vaak afhaken na een studie te zijn begonnen dan de late beslissers, kan op basis van het onderzoek niet vastgesteld worden. Hoe dan ook, het proces om tot een belangrijke beslissing, zoals de studiekeuze, te komen, is voor alle 17- en 18-jarigen een complex proces. Om te voorkomen dat zij impulsief kiezen of conformeren aan de verwachtingen van de sociale omgeving, is een goede begeleiding van dit proces belangrijk voor alle leerlingen. Door de dialoog in stand te houden waarin de studiekiezers en hun wensen en ambities centraal staan, kunnen zij geholpen worden met het kiezen van die ene studie die het beste aansluit op hun capaciteiten en interesses. Zo zouden de leerlingen die, net als Joris, moeite hebben met de studiekeuze, net zoveel plezier kunnen vinden in het ontdekken van hun opleidings- en beroepsmogelijkheden als de leerlingen als Emma, en zo geholpen kunnen worden bij het maken van een gerichte toekomstkeuze.

Referenties

Deci, E. L., & Ryan, R.M. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. American Psychologist, 55, 68-78. doi: 10.1037110003-066X.55.1.68



Flum, H., & Blustein, D. L. (2000). Reinvigorating the study of vocational exploration: A framework for research. Journal of Vocational Behaviour, 56, 380-404. doi:10.1006/jvbe.2000.1721



Gati, I., & Amir, T. (2010). Applying a systematic procedure to locate career decision-making difficulties. Career Development Quarterly, 76, 301–320.



Gati, I. & Asulin-Peretz, L. (2011). Internet-based self-help career assessment and interventions: Challenges and implications for evidence-based career counselling. Journal of Career Assessment, 19, 259-273. doi: 10.1177/1069072710395533



Jolles, J. (2007). Neurocognitieve ontwikkeling en adolescentie: enkele implicaties voor het onderwijs. Onderwijsinnovatie, maart 2007, 30-32.



Jolles, J., De Groot, R., Van Benthem, J., Dekkers, H., De Glopper, C., Uijlings, H., & Wolff-Albers, A. (2006). Brain Lessons. A contribution to the international debate on Brain, Learning & Education, based on the results of an invitational conference organised by the Netherlands Organisation of Scientific Research (NWO).Amsterdam: Neuropsych Publishers.



Schwartz, B. (2009). Incentives, choice, education and well‐being. Oxford Review of Education, 35, 391-403. doi: 10.1080/03054980902934993