Posts tonen met het label onderwijzen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderwijzen. Alle posts tonen

dinsdag 7 maart 2017

Dream School: de verslaglegging

Ik ben sinds de oprichting ervan een van de redacteuren bij Komenskypost. Komenskypost is een 'geheel onafhankelijk, deskundig en niet commercieel I-zine'. Het I-zine groeit geleidelijk in populariteit en bekendheid, wat natuurlijk mooi is. Tot nu toe was mijn bijdrage eraan redelijk bescheiden. Hoofdredacteur Jan Lepeltak vroeg mij in het begin van het jaar of ik iets wilde schrijven over het nieuwe NTR-programma Dream School. Ik had wel over dit project gehoord, maar was eigenlijk niet van plan ernaar te gaan kijken. Ik deed het toch, zette mijn onderwijskundige bril nog eens goed recht, en maakte al kijkend aantekeningen. Mijn combinatie van samenvatting en beschouwing van de aflevering werd goed gewaardeerd, en smaakte naar meer. Ik besloot ook over de tweede aflevering te schrijven, als er tenminste genoeg zou gebeuren dat de moeite waard was om over te schrijven. Dat bleek het geval te zijn, en inmiddels had ik de smaak zo te pakken dat ik besloot ook over de resterende afleveringen te schrijven. Het leverde veel reacties op: van trouwe kijkers, van personen die om allerlei redenen het programma zelf niet wilden kijken (zoals Karin Winters, die erover blogde), en ook van enkele personen die bij het programma betrokken waren, zoals rector Eric van 't Zelfde. Ondanks de bescheiden kijkcijfers was het programma een succes, wat onder andere te zien is aan deelname aan de nominaties voor de Televizierring (het is op dit moment nog onbekend waar dat zal eindigen) en een zoektocht naar kandidaten voor een tweede seizoen (waarin Maarten van Rossem als docent hoogstwaarschijnlijk zal ontbreken). Ik heb hieronder een lijstje links neergezet naar de verschillende verslagen bij alle afleveringen van Dream School. Als er een nieuw seizoen komt, dan ben ik zeker weer van de partij!

Verslag van aflevering 1  - Dream School: ook onderwijstechnisch interessant

Verslag van aflevering 2 - Aangeleerde hulpeloosheid

Verslag van aflevering 3 - Schuld en boete

Verslag van aflevering 4 - Spijt en bespiegelingen

Verslag van aflevering 5 - Brandjes blussen

Verslag van aflevering 6 - Zwart-wit

Verslag van aflevering 7 - Karma en kibbelen

Verslag van aflevering 8 - Omzien in verwondering

woensdag 28 mei 2014

Goed onderwijsbestuur volgens Edith Hooge

Op uitnodiging van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap schreef Edith Hooge dit jaar een essay over onderwijsbestuur onder de titel "Hoge verwachting, vrije uitvoering, stevige sturing". Hooge is bijzonder hoogleraar 'multilevel governance' aan de TiasNimbas Business School van de Universiteit van Tilburg, en ze is specialist op het gebied van onderwijsbestuur.
Hooge's essay is een studie naar de rol die onderwijsbestuur speelt of zou moeten spelen in het hedendaagse onderwijs en het onderwijs van de toekomst. Gedurende anderhalf jaar heeft zij extra gelet op ontwikkelingen die plaatsvinden. Zo constateert Hooge dat de huidige tijdsgeest er een is van maximalisering: de weg omhoog is ingeslagen en excellentie is het codewoord. Dat is opmerkelijk, aangezien Nederland in de wereld bepaald geen gek figuur slaat wat betreft prestaties op het gebied van taal, rekenen, en wetenschap. Als er problemen zijn dan zitten die vooral bij immigranten-kinderen van de tweede en derde generatie. Maar: "Streven naar het tegengaan van onderwijsachterstanden lijkt sowieso niet meer iets van deze tijd. (pagina 9)".
Hooge signaleert dat 'het veld' steeds meer kritiek uit op de regeldruk, en dat er eigen initiatieven ontstaan zijn om hier enigszins onderuit te komen. Dat is een positieve ontwikkeling, maar het gevaar bestaat dat we doorslaan in het afwijzen van regels: onderwijs mag niet te vrijblijvend worden. Het komt erop neer dat onderwijs gebukt gaat onder regeldrift, omdat "regels, recepten en voorschriften voorbijgaan aan de specifieke situatie waarin de hoofdrolspelers van onderwijs in onderling samenspel onderwijs maken en hun eigen betekenis geven aan de bedoeling en de kwaliteit ervan. (pagina 23)". Elkaar de ruimte durven geven vereist geen regels maar lef. Daar tegenover staat de mogelijkheid om goede verantwoording van elkaar te verlangen. Hooge concludeert daarom dat als leraren hun professionele ruimte opeisen, bestuurders ook eisen mogen stellen aan diezelfde leraren: zij moeten kwalitatief hoogwaardig werk leveren. Die eisen kun je alleen goed stellen door middel van stevige sturing, niet in de zin van (nog meer) regels, maar door het beroep zelf te reguleren. Wie moet er dan voor die regulatie zorgen? De overheid, vanuit haar 'grondwettelijke zorgplicht' (Hooge refereert hiermee aan lid 1 uit Artikel 23 van de Grondwet).
Hooge sluit haar betoog af met drie aanbevelingen over de manier waarop de overheid de onderwijskwaliteit kan verbeteren. Met name haar tweede aanbeveling heeft veel stof doen opwaaien. De eerste aanbeveling is om lerarenopleidingen te verbeteren door 'rijksacademies' te vormen. De toelatingseisen voor zo'n academie moeten heel streng zijn. Bij selectie wordt niet alleen gelet op academische aanleg, maar ook op 'aanleg voor pedagogisch-didactisch handelen, bereidheid tot leren en ontwikkelen en motivatie voor het leraarsberoep'. Of je dat alles van een aspirant-leerkracht kunt verwachten, hoe je al deze elementen betrouwbaar en valide vaststelt (als dat al mogelijk is) en of dat een dergelijke selectie garantie voor succes biedt beargumenteert Hooge niet op een oproep tot goed onderzoek hiernaar in Frankrijk en Finland na.
De tweede aanbeveling is om het gegeven dat veel leerkrachten in deeltijd werken te problematiseren. Daar komt bij dat vrouwelijke leerkrachten op dit moment in de meerderheid zijn. Deze combinatie (vrouw en deeltijd) ziet Hooge als funest voor onderwijskwaliteit. Het probleem is namelijk dat een deeltijdwerker niet het volle verstand en hart bij het onderwijs heeft liggen, maar bij 'de zorg voor thuis'. Het dagblad Trouw kopte hierover: "De deeltijdjuf is slecht voor het onderwijs". Paul Rosenmöller, voorzitter van de VO-raad was niet te spreken over deze constatering, met name omdat deze gebaseerd zou zijn op slechts één bevinding van de Onderwijsinspectie. Welke bevinding? Een die is terug te vinden in het laatste onderwijsverslag van de Inspectie. Hoofdinspecteur primair onderwijs Arnold Jonk wist wel waar Hooge zich op baseert, namelijk onderstaande tabel.

Bron: Onderwijsverslag 2012/2013

Als je de cijfers in de tabel bekijkt dan zie je dat 49 procent van de deeltijdwerkers die een aanstelling lager dan 0,6 fte hebben voldoen aan de beheersing van alle algemeen didactische vaardigheden en differentiatievaardigheden. Voor degenen die een grotere aanstelling hebben ligt het percentage hoger: respectievelijk 52 en 54 procent. De conclusie die daar vooral uit volgt is dat de percentages erg laag zijn. Of het verschil tussen 49 en 54 niet alleen statistisch significant is maar ook relevant, en wel zo relevant dat het noodzakelijk is om het problematiseren ervan expliciet als speerpunt in de overheidsaanpak te benoemen, daar twijfel ik aan. De vraag is ook of Hooge's voorgestelde oplossing: scholen (alleen?) voltijdswerkers laten werven, niet wat al te kort door de bocht is. De redenering dat de school als werkomgeving aantrekkelijker en ambitieuzer zal overkomen als daar voornamelijk voltijders werken  lijkt me dan ook nogal vergezocht.
Tenslotte beveelt Hooge aan dat onderwijsbesturen meer doortastend worden in hun personeelsbeleid: er is te veel mededogen met niet-voldende functionerende leraren. Wie niet voldoet moet het onderwijs verlaten. Beroepsregistratie en verplichte professionaliseringstrajecten zouden daarbij van dienst kunnen zijn.
De slotwoorden van het betoog maken duidelijk dat onderwijs van ons allemaal is. Het is niet louter de kwaliteit van de leerkracht die de onderwijskwaliteit beinvloedt, ook leerlingen, ouders en de samenleving als geheel spelen hierin een doorslaggevende rol. Goed onderwijsbestuur betekent continu werken aan het verbeteren van de kwaliteit van de relatie tussen al deze partijen.

maandag 20 januari 2014

Teaching others: Toch een kern van waarheid in de leerpiramide?

Op deze blog kwam de leerpiramide al eens voorbij. Bij deze piramide kun je vraagtekens zetten. Dat deden wij niet alleen, maar ook bijvoorbeeld @thebandb op zijn blog. Vooral de percentages die genoemd worden in deze piramide worden dan bekritiseerd.
De leerpiramide: Edukul of kern van waarheid?
Toch zit er misschien een kern van waarheid in deze piramide. Je hoort bijvoorbeeld wel eens mensen opmerken dat de beste manier om iets te leren is, is om het te onderwijzen aan een ander. Dit verwijst naar de ‘basis’ van de piramide.

Een recent onderzoek van Fiorella en Mayer (2014) suggereert dat er inderdaad misschien een kern van waarheid in de leerpiramide schuilt. Fiorella en Mayer deden twee experimenten waarbij studenten een korte les over het Doppler Effect moesten bestuderen. In het eerste onderzoek stond het teaching expectancy effect centraal. Kan de verwachting dat je iets aan een ander moet onderwijzen ertoe leiden dat je meer leert? In het eerste experiment kreeg de ene groep studenten, de controlegroep, dus de opdracht om de les over het Doppler Effect te bestuderen en werd hen daarbij verteld dat ze vervolgens een toets over de inhoud moesten maken. De andere groep, de teaching expectancy groep, bestudeerde dezelfde les, maar nu met de verwachting dat daarna zelf een korte les over het onderwerp moesten gaan geven. De resultaten van het eerste onderzoek lieten zien dat studenten in de teaching expectancy groep, significant beter presteerden op een toets met begripsvragen dan de controle groep (d = +0.55). Uit aanvullende analyses bleek verder dat deze groep bijvoorbeeld aangaf meer moeite gestoken (mental effort) te hebben in bestuderen van de les over het Doppler Effect en het bestuderen van deze les ook leuker vonden.
De resultaten van dit eerste experiment laten zien dat de verwachting om iets te moeten onderwijzen al kan leiden tot betere prestaties op een begripstoets. In het tweede experiment onderzochten de auteurs of het daadwerkelijk onderwijzen daarbij nog een meerwaarde had. Bovendien onderzochten ze in het tweede experiment niet de korte termijneffecten maar de effecten op wat langere termijn (één week).

Er werden nu twee variabelen gemanipuleerd. Ten eerste werd bij studenten de verwachting gewekt dat ze ofwel een toets zouden gaan maken over dezelfde les over het Doppler Effect, ofwel een korte les moesten geven over dit onderwerp. Ten tweede moest de ene helft van de studenten daadwerkelijk een les geven over het onderwerp en de andere helft niet. Zo ontstonden er dus vier groepen: (1) toets verwachting – niet onderwijzen, (2) toets verwachting – wel onderwijzen, (3) onderwijs verwachting – niet onderwijzen, en (4) onderwijs verwachting – wel onderwijzen.
De resultaten van dit tweede experiment laten zien dat op de langere termijn de laatste groep, de groep die dus verwachtte les te moeten gaan geven en dat ook daadwerkelijk ging doen, het beste presteert op een begripstoets (d = +0.56). Enigszins verrassend presteerde groep 3, de groep die verwachtte les te gaan geven, maar dat niet hoefde te doen, het slechtst (d = -0.27). De auteurs concluderen dan ook dat voor de korte termijn de verwachting les te moeten gaan geven (teaching expectancy) al effectief kan zijn. Voor de langere termijn is het echter wel nodig dat studenten ook daadwerkelijk onderwijzen.

Je kunt je dus afvragen of het percentage dat onderaan bij de leerpiramide genoemd wordt wel klopt (90%). In het onderzoek van Fiorella en Mayer lag dit percentage in ieder geval een stuk lager: uit een maximumscore van 28 scoorde de groep die moest onderwijzen en dat ook verwachtte te doen gemiddeld 7 punten. Dit percentage (25%) ligt een stuk lager dan de voorspelde 90%. Toch zou het wel eens kunnen kloppen dat het onderwijzen aan anderen effectiever is dan bijvoorbeeld alleen erover lezen.

Fiorella, L., & Mayer, R. E. (in press). Role of expectations and explanations in learning by teaching. Contemporary Educational Psychology. doi: 10.1016/j.cedpsych.2014.01.001