dinsdag 16 april 2013

Help, mijn kind moet naar een Steve Jobsschool!

Het schoolgebouw van OBS de Driemaster
Uw kinderen gaan al enkele jaren met plezier naar de school in de buurt. klaar voor de toekomst'. De plannen leiden echter ook tot heftige reacties en aandacht van de media. Sommige ouders zijn zich rotgeschrokken en zeggen hun kind van school te halen. Toch zijn er ook nieuwe aanmeldingen. En u, wat gaat u doen? Wellicht heeft u kritische vragen over het schoolconcept van de Steve Jobsschool. De organisatie achter het concept, O4NT, heeft verschillende documenten op haar website gezet waarin alles uitgelegd wordt. Het is een goed idee die documenten te bekijken. Toch kan ik me indenken dat niet elke ouder gewend is om een schoolmodel door te nemen en kritisch te bekijken. Dat is jammer, want ik heb gemerkt dat kritische opmerkingen door O4NT (en ook door oprichter Maurice de Hond) steevast worden beantwoord met: "Lees ons schoolmodel, dan wordt alles duidelijk."
Het schoolgebouw was al jaren aan vervanging toe en inmiddels is de bouw van een nieuwe school begonnen. Er zijn regelmatig bijeenkomsten waarin een update over de bouw wordt gegeven. Tijdens een een van deze avonden kondigt het schoolbestuur aan het vanaf september 2013 helemaal anders aan te willen pakken: de nieuwe school zal verdergaan als 'Steve Jobsschool'. Uiteraard heeft dat consequenties, bijvoorbeeld voor het personeel waarvan een deel 'wordt vervangen'. Zo moet het ongeveer gegaan zijn in Sneek. De directeur is trots want de school is '
Omdat ik pretendeer iets van onderwijskunde te weten dacht ik dat het wellicht nuttig zou zijn als ik commentaar geef op het onderwijsmodel van de Steve Jobsscholen. Daarom heb ik het O4NT schoolmodel in detail doorgenomen. Ik spreek steeds abstract over 'O4NT' als de auteurs van het model, maar uiteraard horen daar gewone personen bij. Hieronder geef ik mijn commentaar op het model, en ik zal daarbij ingaan op zaken die me aanspreken, en zaken waarvan ik denk: dat zou ik niet doen. Aan het eind geef ik ook een oordeel over het schoolmodel en ik zal zeggen of u uw kinderen in september met een gerust hart naar de Steve Jobsschool kunt laten gaan.

De documenten

O4NT biedt op haar website verschillende documenten aan. Het interessantst is het schoolmodel, maar er is bijvoorbeeld ook een document voor scholen die zich willen aansluiten bij het concept met criteria waaraan zij moeten voldoen (bijvoorbeeld een goed functionerend draadloos netwerk). Er is zelfs een wat curieus document met 'beloften aan het kind'. Die beloften wijken overigens niet af van wat je op een normale school mag verwachten. O4NT verdient complimenten voor de stukken die ze publiceren. Het schoolmodel is in heldere taal geschreven en het bevat ook geen vreemde of obscure terminologie. Als er onderwijstermen gebruikt worden ('21st century skills') dan worden die uitgelegd, op een aantal uitzonderingen na ('serious gaming'). Ook wordt niet gestrooid met hippe Engelse termen, wat zeker mogelijk was geweest. En 'gameday' klinkt ook wel aantrekkelijker dan 'sport- en speldag' (wat de lading ook niet goed dekt).

Het schoolmodel

In het document staat het schoolmodel tweemaal beschreven, een keer in het kort en een keer uitgebreid. Heel veel verschillen de beschrijvingen niet van elkaar. In het document voor scholen zijn overigens her en der aanvullingen te vinden, met name over wat wel en niet verplicht is.
Bij het lezen springen twee zaken meteen in het oog: de naam 'Steve Jobs' en het gebruik van iPads. Dat heeft ertoe geleid dat het schoolconcept in de volksmond bekend staat als de 'iPadschool'. Dat is jammer, want het doet echt geen recht aan het O4NT-concept. Dat concept is veel breder dan 'alle leerlingen werken met iPads'. Sterker: ik zou durven stellen dat de iPad in zekere zin een ondergeschikte rol speelt in het schoolconcept. Hierover later meer. Over de keuze voor de iPad (uit logistieke en praktische overwegingen) en de naam Steve Jobs is al veel gezegd, daar ga ik hier niet op in. Het beestje moet een naam hebben.


Het schoolmodel van O4NT bestaat globaal uit vier verschillende punten, namelijk:
  1. Het onderscheid tussen een fysieke en een virtuele school
  2. De verschillende leerdoelen (kerndoelen en 21st century skills)
  3. Communities in en rond de school (de school als onderdeel van een groter geheel)
  4. De praktische organisatie van de school (wat uiteenvalt in acht aspecten)
De uitleg bij deze vier punten maakt duidelijk: hier is een club met ambitie aan het werk. O4NT wil veel, heel veel, en het moet allemaal tegelijk gebeuren. Daar zit wat mij betreft ook wel een knelpunt: de praktijk lijkt door tomeloze ambitie voorbij te worden gestreefd. Er wordt veel gevraagd van bestuurders, docenten, ouders en leerlingen. Ik bespreek kort de kenmerken van de vier punten zoals die in de documenten beschreven worden.

Het onderscheid tussen een fysieke en een virtuele school

U heeft wellicht in een klas met zo'n 25 anderen gezeten, een leerjaar heet dat. De Steve Jobsschool volgt een heel ander concept, namelijk SlimFit. Dat is een onderwijsinnovatie waarbij er geen klassen zijn, maar 'units'. Een unit bestaat uit 70 tot zo'n 100 leerlingen (of minder als de school kleiner is). Een unit heeft geen leerkracht, maar een team van begeleiders en coaches. Een Steve Jobsschool heeft dus geen leerkrachten in dienst. In de school zijn grote en kleine groepsruimtes, met zaken als openslaande deuren om een ruimte van klein groot te maken. De ruimtes zijn geen klassen, maar 'ateliers'. Er is een rekenatelier, een taalatelier, maar ook een laboratorium en een keuken (waar onder begeleiding door leerlingen gekookt wordt). In de ateliers wordt veel zelfstandig geleerd, maar er worden ook regelmatig wedstrijden gehouden. Er zijn ook ruimtes die de creativiteit ('out of the box'-denken) stimuleren, met grote schermen en beamers. Buiten is ruimte voor het verzorgen van planten en dieren: Jan Ligthart kijkt vanaf een wolk waarschijnlijk goedkeurend toe.
SlimFit bestaat al een tijdje. Het is op zichzelf een 'innovatief' onderwijsexperiment. Het klinkt leuk, maar we weten dus niet of het goed werkt. Ik vind het verstandig dat O4NT aansluit bij een lopende onderwijsinnovatie, maar je moet als ouder maar geloven dat het loslaten van het fysieke klaslokaal ook positief uitpakt.
De fysieke school is lang open elke dag, maar de virtuele school is altijd open. Dit is de digitale leeromgeving (de 'ELO') waartoe leerlingen, begeleiders en ouders toegang toe hebben. Verder vallen mij in het bijzonder nog twee zaken op:
  1. Het doel is om aanwezigheid in de school automatisch te registereren. Een elektronische prikklok, dus.
  2. In het onderwijs wordt 'serious gaming breed ingezet'. Meer krijgen we hierover niet te lezen helaas. In het model zie je wel regelmatig wedstrijdelementen terugkomen, iets wat een duidelijk verband heeft met 'gaming'.
De belangrijkste implicatie is dat een leerling niet altijd aanwezig hoeft te zijn op de fysieke school tijdens reguliere schooltijden. Onder praktische organisatie hierover meer.

De verschillende leerdoelen

Er bestaan wettelijk geformuleerde
leerdoelen. De onderwijsinspectie kijkt of scholen die doelen nastreven. De Steve Jobsschool hanteert die officiele leerdoelen, maar voegt er extra doelen aan toe. De nieuwe doelen passen bij O4NT (dat staat voor 'Onderwijs voor een Nieuwe Tijd'). In de onderwijswereld staan ze bekend als '21st century skills'. Dat zijn vaardigheden als samenwerken, leiderschap tonen en creatief zijn - vaardigheden waarvan O4NT stelt dat je die wel buiten, maar niet binnen reguliere scholen opdoet. De reden zit voor een groot deel in de toetsing. De citotoets meet geen 21st century skills, allerminst zelfs. O4NT is hier uitgesproken kritisch over en dit stuk is sterk geschreven. Minder sterk is hoe de school gaat bijhouden wat de vorderingen van leerlingen zijn. Dat gaat min of meer automatisch, door registratie van de uitgevoerde acties op de iPad. Er staat dat de ontwikkeling van het kind wordt bijgehouden 'via zijn output'. Hoe dit in de praktijk werkt (en of het wel zo gaat werken) is nog onbekend.
De school zet zich in voor brede talentontwikkeling, waarbij kinderen veel eigen verantwoordelijkheid en vertrouwen krijgen. Er is geen sprake van totale vrijheid. Het model benadrukt dat kinderen die meer sturing of structuur nodig hebben die ook krijgen van hun begeleider. Hierin onderscheidt het onderwijsmodel zich nadrukkelijk van bijvoorbeeld Iederwijs.

Communities in en rond de school

U vervoert wel eens kinderen naar de kinderboerderij? Reken erop dat u bij de Steve Jobsschool echt aan de bak moet. Als ouder wordt u een 'pedagogische en didactische partner' van de school (het plan spreekt wat ongelukkig over 'niet alleen leesouder of luizenmoeder'). Uw inzet is verplicht en daar worden schriftelijke afspraken over gemaakt. Daarnaast wordt een portfolio opgesteld waarin elke ouder zijn werk en hobby's kan neerzetten. Het idee is dat u benaderbaar bent door leerlingen als zij daarover iets willen weten voor een project waarmee zij bezig zijn. Dat laatste vind ik een goed idee dat navolging van andere scholen zou mogen krijgen, zolang ouders kunnen aangeven hoe vaak zij benaderd willen worden. Het is duidelijk: schoolbesturen die overwegen een Steve Jobsschool te worden doen er goed aan eerst met ouders in gesprek te gaan. Zonder hen een beslissing nemen is dom, want ouders zijn allerminst een neutrale partij in het eindresultaat.
Tenslotte betekent 'community' ook dat de school samenwerking zoekt met bedrijven en organisaties in de buurt, en dat eigenlijk iedereen een bijdrage kan leveren (dit aspect is nog niet echt uitgewerkt).

De praktische organisatie van de school

Een Steve Jobsschool heeft een aantal interessante nieuwe kenmerken. Die vormen samen de dagelijkse gang van zaken op school. Eruit springen:
  1. De school is elke (werk)dag open van half 8 's ochtends tot half 7 's avonds.
  2. De school werkt met periodes van 3 maanden (tweemaal 6 weken), er zijn geen vastgelegde schoolvakanties.
  3. Voor elk kind worden apart afspraken over aanwezigheid op school gemaakt (en zo nu en dan geevalueerd). Concreet kan dat betekenen dat het ene kind 150 dagen in een jaar naar school gaat en het andere meer dan 200. Dat ene kind doet dan meer op de virtuele school (en het maakt dan dus niet uit waar hij of zij zich bevindt).
  4. Er is elke maand een 'Steve Jobs Gameday'. Het lijkt op een combinatie van een sportdag, een tentoonstelling/presentatie van gemaakt werk en een weeksluiting. Er worden wedstrijden gehouden. Er is ook een jaarlijkse Gameday waarin alle Steve Jobs-scholen samenkomen. Dat zal een flinke manifestatie worden. Het document voor scholen zegt overigens dat deelname aan gamedays voor scholen niet verplicht is.
  5. Leerlingen werken in blokken van 6 weken aan projecten. Daarbij wordt de onderwijsmethode 'verhalend ontwerpen' gehanteerd ('storyline method'), een methode die in Nederland redelijk voet aan de grond heeft gekregen, maar die natuurlijk ook weer een specifieke aanpak vereist.
  6. Aan begeleiders en coaches wordt als eis gesteld dat zij zelf beschikken over 21st century skills. Het is logisch dat dat consequenties heeft voor het personeel dat al op school werkzaam is, zoals het geval in Sneek illustreert.

Conclusie

U ziet het, het is een flink plan, dat schoolmodel van O4NT. Het ziet er redelijk coherent uit, maar er zijn nog wel wat hobbels te nemen. Met name de uitwerking van verschillende methodes die nu tussen neus en lippen door genoemd worden heeft nog wat voeten in de aarde. Veel aandacht gaat op dit moment uit naar de technische aspecten, de hardware (en het draadloze netwerk) en de software (welke 'apps' zijn het meest geschikt voor onderwijs). Misschien is u opgevallen dat ik 1 ding expliciet nauwelijks heb genoemd in de beschrijving van het schoolmodel: de iPad! Al lezende viel me op dat iPads eigenlijk maar een bijrol in het verhaal spelen. Als je in het document het woord iPad consequent zou vervangen door 'laptop' (of notebook) verandert het verhaal niet. Er wordt in verschillende stukken soms gedweept met de unieke mogelijkheden die tablets bieden, daarover zal ik in een ander artikel rapporteren. In het schoolmodel van O4NT zie ik daarvan niets terug1. Sterker: er wordt vermeld dat in de school her en der ook desktopcomputers zullen staan 'voor specifieke toepassingen'. Zo heet wordt de soep niet gegeten, blijkbaar.

Kunt u uw kinderen naar de Steve Jobsschool laten gaan? Het hangt ervan af waartoe u zelf bereid bent. Uw eigen inspanning is namelijk onderdeel van het schoolmodel. Ik vermoed dat er zeker in het begin problemen zullen zijn. De plannen zijn zeer ambitieus, en gaan over veel meer dan alleen maar het opwaarderen van het gebruik van ICT in de klas. Er is namelijk geen klas, er is een open gemeenschap waarin leren plaatsvindt, fysiek of virtueel. Het uitgewerkte schoolmodel biedt veel aanknopingspunten, maar het is nog een open vraag of alle gestelde doelen in de praktijk te realiseren zijn.


1  O4NT geeft in de FAQ op haar website aan dat de keuze voor de iPad bewust is gemaakt, omdat 'De iPad op dit moment de tablet [is] die de meeste mogelijkheden biedt voor het intuitieve leren dat wij voor het (jonge) kind zo belangrijk vinden.'

Help, mijn kind moet naar een Steve Jobsschool!

OBS Driemaster in Sneek
Uw kinderen gaan al enkele jaren met plezier naar de school in de buurt. klaar voor de toekomst'. De plannen leiden echter ook tot heftige reacties en aandacht van de media. Sommige ouders zijn zich rotgeschrokken en zeggen hun kind van school te halen. Toch zijn er ook nieuwe aanmeldingen. En u, wat gaat u doen? Wellicht heeft u kritische vragen over het schoolconcept van de Steve Jobsschool. De organisatie achter het concept, O4NT, heeft verschillende documenten op haar website gezet waarin alles uitgelegd wordt. Het is een goed idee die documenten te bekijken. Toch kan ik me indenken dat niet elke ouder gewend is om een schoolmodel door te nemen en kritisch te bekijken. Dat is jammer, want ik heb gemerkt dat kritische opmerkingen door O4NT (en ook door oprichter Maurice de Hond) steevast worden beantwoord met: "Lees ons schoolmodel, dan wordt alles duidelijk."
Het schoolgebouw was al jaren aan vervanging toe en inmiddels is de bouw van een nieuwe school begonnen. Er zijn regelmatig bijeenkomsten waarin een update over de bouw wordt gegeven. Tijdens een een van deze avonden kondigt het schoolbestuur aan het vanaf september 2013 helemaal anders aan te willen pakken: de nieuwe school zal verdergaan als 'Steve Jobsschool'. Uiteraard heeft dat consequenties, bijvoorbeeld voor het personeel waarvan een deel 'wordt vervangen'. Zo moet het ongeveer gegaan zijn in Sneek. De directeur is trots want de school is '
Omdat ik pretendeer iets van onderwijskunde te weten dacht ik dat het wellicht nuttig zou zijn als ik commentaar geef op het onderwijsmodel van de Steve Jobsscholen. Daarom heb ik het O4NT schoolmodel in detail doorgenomen. Ik spreek steeds abstract over 'O4NT' als de auteurs van het model, maar uiteraard horen daar gewone personen bij. Hieronder geef ik mijn commentaar op het model, en ik zal daarbij ingaan op zaken die me aanspreken, en zaken waarvan ik denk: dat zou ik niet doen. Aan het eind geef ik ook een oordeel over het schoolmodel en ik zal zeggen of u uw kinderen in september met een gerust hart naar de Steve Jobsschool kunt laten gaan.

De documenten

O4NT biedt op haar website verschillende documenten aan. Het interessantst is het schoolmodel, maar er is bijvoorbeeld ook een document voor scholen die zich willen aansluiten bij het concept met criteria waaraan zij moeten voldoen (bijvoorbeeld een goed functionerend draadloos netwerk). Er is zelfs een wat curieus document met 'beloften aan het kind'. Die beloften wijken overigens niet af van wat je op een normale school mag verwachten. O4NT verdient complimenten voor de stukken die ze publiceren. Het schoolmodel is in heldere taal geschreven en het bevat ook geen vreemde of obscure terminologie. Als er onderwijstermen gebruikt worden ('21st century skills') dan worden die uitgelegd, op een aantal uitzonderingen na ('serious gaming'). Ook wordt niet gestrooid met hippe Engelse termen, wat zeker mogelijk was geweest. En 'gameday' klinkt ook wel aantrekkelijker dan 'sport- en speldag' (wat de lading ook niet goed dekt).

Het schoolmodel

In het document staat het schoolmodel tweemaal beschreven, een keer in het kort en een keer uitgebreid. Heel veel verschillen de beschrijvingen niet van elkaar. In het document voor scholen zijn overigens her en der aanvullingen te vinden, met name over wat wel en niet verplicht is.
Bij het lezen springen twee zaken meteen in het oog: de naam 'Steve Jobs' en het gebruik van iPads. Dat heeft ertoe geleid dat het schoolconcept in de volksmond bekend staat als de 'iPadschool'. Dat is jammer, want het doet echt geen recht aan het O4NT-concept. Dat concept is veel breder dan 'alle leerlingen werken met iPads'. Sterker: ik zou durven stellen dat de iPad in zekere zin een ondergeschikte rol speelt in het schoolconcept. Hierover later meer. Over de keuze voor de iPad (uit logistieke en praktische overwegingen) en de naam Steve Jobs is al veel gezegd, daar ga ik hier niet op in. Het beestje moet een naam hebben.


Het schoolmodel van O4NT bestaat globaal uit vier verschillende punten, namelijk:
  1. Het onderscheid tussen een fysieke en een virtuele school
  2. De verschillende leerdoelen (kerndoelen en 21st century skills)
  3. Communities in en rond de school (de school als onderdeel van een groter geheel)
  4. De praktische organisatie van de school (wat uiteenvalt in acht aspecten)
De uitleg bij deze vier punten maakt duidelijk: hier is een club met ambitie aan het werk. O4NT wil veel, heel veel, en het moet allemaal tegelijk gebeuren. Daar zit wat mij betreft ook wel een knelpunt: de praktijk lijkt door tomeloze ambitie voorbij te worden gestreefd. Er wordt veel gevraagd van bestuurders, docenten, ouders en leerlingen. Ik bespreek kort de kenmerken van de vier punten zoals die in de documenten beschreven worden.

Het onderscheid tussen een fysieke en een virtuele school

U heeft wellicht in een klas met zo'n 25 anderen gezeten, een leerjaar heet dat. De Steve Jobsschool volgt een heel ander concept, namelijk SlimFit. Dat is een onderwijsinnovatie waarbij er geen klassen zijn, maar 'units'. Een unit bestaat uit 70 tot zo'n 100 leerlingen (of minder als de school kleiner is). Een unit heeft geen leerkracht, maar een team van begeleiders en coaches. Een Steve Jobsschool heeft dus geen leerkrachten in dienst. In de school zijn grote en kleine groepsruimtes, met zaken als openslaande deuren om een ruimte van klein groot te maken. De ruimtes zijn geen klassen, maar 'ateliers'. Er is een rekenatelier, een taalatelier, maar ook een laboratorium en een keuken (waar onder begeleiding door leerlingen gekookt wordt). In de ateliers wordt veel zelfstandig geleerd, maar er worden ook regelmatig wedstrijden gehouden. Er zijn ook ruimtes die de creativiteit ('out of the box'-denken) stimuleren, met grote schermen en beamers. Buiten is ruimte voor het verzorgen van planten en dieren: Jan Ligthart kijkt vanaf een wolk waarschijnlijk goedkeurend toe.
SlimFit bestaat al een tijdje. Het is op zichzelf een 'innovatief' onderwijsexperiment. Het klinkt leuk, maar we weten dus niet of het goed werkt. Ik vind het verstandig dat O4NT aansluit bij een lopende onderwijsinnovatie, maar je moet als ouder maar geloven dat het loslaten van het fysieke klaslokaal ook positief uitpakt.
De fysieke school is lang open elke dag, maar de virtuele school is altijd open. Dit is de digitale leeromgeving (de 'ELO') waartoe leerlingen, begeleiders en ouders toegang toe hebben. Verder vallen mij in het bijzonder nog twee zaken op:
  1. Het doel is om aanwezigheid in de school automatisch te registereren. Een elektronische prikklok, dus.
  2. In het onderwijs wordt 'serious gaming breed ingezet'. Meer krijgen we hierover niet te lezen helaas. In het model zie je wel regelmatig wedstrijdelementen terugkomen, iets wat een duidelijk verband heeft met 'gaming'.
De belangrijkste implicatie is dat een leerling niet altijd aanwezig hoeft te zijn op de fysieke school tijdens reguliere schooltijden. Onder praktische organisatie hierover meer.

De verschillende leerdoelen

Er bestaan wettelijk geformuleerde
leerdoelen. De onderwijsinspectie kijkt of scholen die doelen nastreven. De Steve Jobsschool hanteert die officiele leerdoelen, maar voegt er extra doelen aan toe. De nieuwe doelen passen bij O4NT (dat staat voor 'Onderwijs voor een Nieuwe Tijd'). In de onderwijswereld staan ze bekend als '21st century skills'. Dat zijn vaardigheden als samenwerken, leiderschap tonen en creatief zijn - vaardigheden waarvan O4NT stelt dat je die wel buiten, maar niet binnen reguliere scholen opdoet. De reden zit voor een groot deel in de toetsing. De citotoets meet geen 21st century skills, allerminst zelfs. O4NT is hier uitgesproken kritisch over en dit stuk is sterk geschreven. Minder sterk is hoe de school gaat bijhouden wat de vorderingen van leerlingen zijn. Dat gaat min of meer automatisch, door registratie van de uitgevoerde acties op de iPad. Er staat dat de ontwikkeling van het kind wordt bijgehouden 'via zijn output'. Hoe dit in de praktijk werkt (en of het wel zo gaat werken) is nog onbekend.
De school zet zich in voor brede talentontwikkeling, waarbij kinderen veel eigen verantwoordelijkheid en vertrouwen krijgen. Er is geen sprake van totale vrijheid. Het model benadrukt dat kinderen die meer sturing of structuur nodig hebben die ook krijgen van hun begeleider. Hierin onderscheidt het onderwijsmodel zich nadrukkelijk van bijvoorbeeld Iederwijs.

Communities in en rond de school

U vervoert wel eens kinderen naar de kinderboerderij? Reken erop dat u bij de Steve Jobsschool echt aan de bak moet. Als ouder wordt u een 'pedagogische en didactische partner' van de school (het plan spreekt wat ongelukkig over 'niet alleen leesouder of luizenmoeder'). Uw inzet is verplicht en daar worden schriftelijke afspraken over gemaakt. Daarnaast wordt een portfolio opgesteld waarin elke ouder zijn werk en hobby's kan neerzetten. Het idee is dat u benaderbaar bent door leerlingen als zij daarover iets willen weten voor een project waarmee zij bezig zijn. Dat laatste vind ik een goed idee dat navolging van andere scholen zou mogen krijgen, zolang ouders kunnen aangeven hoe vaak zij benaderd willen worden. Het is duidelijk: schoolbesturen die overwegen een Steve Jobsschool te worden doen er goed aan eerst met ouders in gesprek te gaan. Zonder hen een beslissing nemen is dom, want ouders zijn allerminst een neutrale partij in het eindresultaat.
Tenslotte betekent 'community' ook dat de school samenwerking zoekt met bedrijven en organisaties in de buurt, en dat eigenlijk iedereen een bijdrage kan leveren (dit aspect is nog niet echt uitgewerkt).

De praktische organisatie van de school

Een Steve Jobsschool heeft een aantal interessante nieuwe kenmerken. Die vormen samen de dagelijkse gang van zaken op school. Eruit springen:
  1. De school is elke (werk)dag open van half 8 's ochtends tot half 7 's avonds.
  2. De school werkt met periodes van 3 maanden (tweemaal 6 weken), er zijn geen vastgelegde schoolvakanties.
  3. Voor elk kind worden apart afspraken over aanwezigheid op school gemaakt (en zo nu en dan geevalueerd). Concreet kan dat betekenen dat het ene kind 150 dagen in een jaar naar school gaat en het andere meer dan 200. Dat ene kind doet dan meer op de virtuele school (en het maakt dan dus niet uit waar hij of zij zich bevindt).
  4. Er is elke maand een 'Steve Jobs Gameday'. Het lijkt op een combinatie van een sportdag, een tentoonstelling/presentatie van gemaakt werk en een weeksluiting. Er worden wedstrijden gehouden. Er is ook een jaarlijkse Gameday waarin alle Steve Jobs-scholen samenkomen. Dat zal een flinke manifestatie worden. Het document voor scholen zegt overigens dat deelname aan gamedays voor scholen niet verplicht is.
  5. Leerlingen werken in blokken van 6 weken aan projecten. Daarbij wordt de onderwijsmethode 'verhalend ontwerpen' gehanteerd ('storyline method'), een methode die in Nederland redelijk voet aan de grond heeft gekregen, maar die natuurlijk ook weer een specifieke aanpak vereist.
  6. Aan begeleiders en coaches wordt als eis gesteld dat zij zelf beschikken over 21st century skills. Het is logisch dat dat consequenties heeft voor het personeel dat al op school werkzaam is, zoals het geval in Sneek illustreert.

Conclusie

U ziet het, het is een flink plan, dat schoolmodel van O4NT. Het ziet er redelijk coherent uit, maar er zijn nog wel wat hobbels te nemen. Met name de uitwerking van verschillende methodes die nu tussen neus en lippen door genoemd worden heeft nog wat voeten in de aarde. Veel aandacht gaat op dit moment uit naar de technische aspecten, de hardware (en het draadloze netwerk) en de software (welke 'apps' zijn het meest geschikt voor onderwijs). Misschien is u opgevallen dat ik 1 ding expliciet nauwelijks heb genoemd in de beschrijving van het schoolmodel: de iPad! Al lezende viel me op dat iPads eigenlijk maar een bijrol in het verhaal spelen. Als je in het document het woord iPad consequent zou vervangen door 'laptop' (of notebook) verandert het verhaal niet. Er wordt in verschillende stukken soms gedweept met de unieke mogelijkheden die tablets bieden, daarover zal ik in een ander artikel rapporteren. In het schoolmodel van O4NT zie ik daarvan niets terug1. Sterker: er wordt vermeld dat in de school her en der ook desktopcomputers zullen staan 'voor specifieke toepassingen'. Zo heet wordt de soep niet gegeten, blijkbaar.

Kunt u uw kinderen naar de Steve Jobsschool laten gaan? Het hangt ervan af waartoe u zelf bereid bent. Uw eigen inspanning is namelijk onderdeel van het schoolmodel. Ik vermoed dat er zeker in het begin problemen zullen zijn. De plannen zijn zeer ambitieus, en gaan over veel meer dan alleen maar het opwaarderen van het gebruik van ICT in de klas. Er is namelijk geen klas, er is een open gemeenschap waarin leren plaatsvindt, fysiek of virtueel. Het uitgewerkte schoolmodel biedt veel aanknopingspunten, maar het is nog een open vraag of alle gestelde doelen in de praktijk te realiseren zijn.


1  O4NT geeft in de FAQ op haar website aan dat de keuze voor de iPad bewust is gemaakt, omdat 'De iPad op dit moment de tablet [is] die de meeste mogelijkheden biedt voor het intuitieve leren dat wij voor het (jonge) kind zo belangrijk vinden.'

maandag 8 april 2013

Het dazzle effect: De gevaren van neuromarketing

Neuromarketing is een bloeiende industrie. Neuromarketing verwijst naar de aantrekkelijkheid van het associëren van producten met termen uit de neurowetenschappen. Denk aan het gebruiken van het voorvoegsel "neuro-" of het voorvoegsel "brein-". Het blijkt dat het gebruik van zulke terminologie ertoe leidt dat het bredere publiek meer vertrouwen krijgt in deze producten. Dit geldt ook als zulke toevoegingen nonsens zijn zoals wel eens het geval is bij het gebruiken van het voorvoegsel "brain-based".

Ook in het onderwijs is er sprake van het zogenaamde "dazzle effect" van termen uit de neurowetenschap. Zo bleek uit een onderzoek van Dekker, Lee, Howard-Jones en Jolles dat docenten in veel neuromythes geloven (bv. dat de linker hersenhelft de rationele helft is en de rechter hersenhelft de creatieve).

In het maart nummer van het tijdschrift Mind, Brain, and Education schrijven Lindell en Kidd over een interessant experiment waarin ze het "dazzle effect" van termen uit de neuropsychologie aantonen.

Psychologiestudenten, studenten van andere studies en ouders kregen vier varianten van een advertentie voor een onderwijsproduct te zien. Het product werd in de advertentie ofwel "Right brain training" of "Right start training" genoemd. Aan deze advertentie werd in de helft van de gevallen vervolgens een afbeelding van een (irrelevante) MRI scan van het brein toegevoegd; aan de andere helft niet.

De deelnemers van het onderzoek beoordeelden de advertentie op (1) of ze erin geïnteresseerd zouden zijn, (2) of ze dachten dat het product effectief zou zijn en (3) of ze dachten dat de training wetenschappelijk onderbouwd was.

De resultaten van het onderzoek illustreren duidelijk het "dazzle effect". De deelnemers aan het onderzoek beoordeelden de training die "Right brain training" werd genoemd als interessanter, effectiever en wetenschappelijk beter onderbouwd dan de "Right start training". Het toevoegen van de MRI afbeelding had geen effect op de interesse en het effectiviteitsoordeel van de deelnemers. Wel leidde het toevoegen van een MRI afbeelding ertoe dat deelnemers meer vertrouwen hadden in de wetenschappelijke onderbouwing van het product.

Een interessante bevinding is daarnaast dat psychologiestudenten in alle gevallen minder overtuigd waren door de twee neuro-toevoegingen, hoewel ook zij beïnvloed werden. Mogelijk zijn psychologiestudenten door hun opleiding wat beter in staat om de relevantie van neuroclaims te beoordelen.

De resultaten van dit onderzoek laten zien het voor het brede publiek ingewikkeld is om neuro-claims goed op waarde te schatten.

Overigens presenteren we met deze post ook de nieuwe Onderwijskunde poster, waarmee we veel nieuwe scholieren hopen te interesseren voor onze opleiding! ;-)

Lindell, A. K., & Kidd, E. (2013). Consumers favor "Right Brain" training: The dangerous lure of neuromarketing. Mind, Brain, and Education, 7, 35-39. doi: 10.1111/mbe.12005

zondag 7 april 2013

Steve Jobs in de startblokken: De Tabletschool gaat van start!

Zondag 7 april was er in het half 8 journaal van RTL aandacht voor de Steve JobScholen die na de zomervakantie gaan starten in diverse Nederlandse steden. Ik werd gevraagd om vanuit mijn achtergrond als Onderwijskundige iets te zeggen over dit initiatief. Hoewel ik van mening ben dat er voor ICT een belangrijke rol is weggelegd in het onderwijs ben ik kritisch over de plannen van O4NT (Onderwijs voor een Nieuwe Tijd) voor de Steve JobsScholen. In de Steve JobsScholen zal de iPad als leermiddel een zeer belangrijke rol gaan spelen. Ik baseer me hierbij overigens op de informatie uit het schoolmodel dat op de website van O4NT gepresenteerd wordt. Ik kan me voorstellen dat in het oprichten van de nieuwe scholen het schoolmodel verder wordt aangescherpt.



Mijn argumenten daarvoor zijn de volgende:

1. Er lijkt sprake te zijn van een opportunistische keuze voor de iPad en niet zo zeer een onderwijskundige keuze. In het schoolmodel wordt de keuze voor de iPad onderbouwd met de argumenten dat het "handiger en goedkoper [is] om één merk apparaat te kiezen dan verschillende merken apparaten". Daarnaast worden de eenvoudige bedieningswijze van de iPad en de beschikbaarheid van goede educatieve apps genoemd als redenen (over dat laatste straks meer).
Wanneer er sprake zou zijn van een onderwijskundige keuze voor de iPad dan zou er vanuit een bepaalde onderwijskundige visie over hoe het leerproces van leerlingen het beste ondersteund kan worden, zijn gekozen voor de iPad. Dit vind ik niet duidelijk blijken uit de plannen die in het schoolmodel gepresenteerd worden. Wat is nu precies de visie van O4NT over het leerproces? En welke rol moet ICT daarin spelen?

In het schoolmodel worden wel mogelijke toepassingen van de iPad genoemd: "presentatiesoftware, foto- en videoapps, zoekfuncties en naslagwerken, programmeertools om bijvoorbeeld zelf educatieve applicaties te maken". Uiteraard zijn dit toepassingen die hun plek zouden kunnen hebben in een school. Maar hoe past dit in de visie van de school en hoe draagt dit bij aan de doelen die de school zichzelf stelt?

2. Door de exclusieve keuze voor de iPad als leermiddel maken de scholen zich kwetsbaar in het realiseren van de eigen onderwijsdoelen. In het schoolmodel wordt gesteld dat er voldoende goede educatieve apps zijn waarvan gebruik gemaakt kan worden om de door de school gestelde onderwijsdoelen te halen. Ik heb daar zeer grote twijfels bij. Er zijn inderdaad zeer veel educatieve apps beschikbaar voor de iPad, maar de de kwaliteit van die apps laat vaak te wensen over. De visuele aantrekkelijkheid van de apps zit vaak wel goed, maar wanneer je wat dieper kijkt hoe de verschillende educatieve apps het leerproces van kinderen proberen te ondersteunen, dan schort daar vaak wel wat aan. Iets wat bijvoorbeeld vaak opvalt, is de manier waarop in deze apps feedback wordt gegeven aan de leerlingen. Uit onderzoek weten wet dat feedback van cruciaal belang is voor het leerproces van kinderen: ze moeten weten of ze iets goed of fout hebben gedaan en als er iets fout is gegaan, dan moeten ze informatie krijgen over wat ze dan precies fout hebben gedaan en hoe ze dat in de toekomst kunnen voorkomen. Apps geven vaak wel aan dat er een fout is gemaakt, maar meestal ontbreekt dan de cruciale volgende stap: wat er is er dan fout gegaan en hoe kan de leerling daarvan leren en dit voorkomen?

De kwaliteit van apps is dus een issue. Daarnaast lijkt het me, door het gefragmenteerde aanbod van apps, een zeer ingewikkeld klus om een heel curriculum te baseren op apps voor de iPad. Googlet u maar eens op de "kerndoelen primair onderwijs" en probeert u eens te bedenken hoe u al deze 58 doelen probeert te realiseren door voornamelijk gebruik te maken van de iPad en de beschikbare apps. Het lijkt mij een zeer ingewikkelde, zo niet onmogelijke klus.

Maar, eerlijk is eerlijk: De oprichters van de Steve JobsScholen denken niet alleen in termen van technologie en iPads om aan de doelen van het onderwijs te werken. Er zullen in de Steve JobsScholen diverse ruimtes ingericht worden als bijvoorbeeld een reken- en taalatelier. In deze ruimtes kunnen kinderen ook met andere middelen rekenen en taal leren.

3. In de Steve JobsScholen wordt het uiterste, zo niet teveel gevraagd van leerkrachten. In de Steve JobsScholen speelt de iPad dus een grote rol. Daarnaast gaat de school uit van de interesse van het kind. De gedachte is dat kinderen spelenderwijs en vanuit eigen interesse leren. Uiteraard is het goed om aan te sluiten bij de interesse van het kind, maar de voorstellen die in het schoolmodel gedaan worden, doen mij vermoeden dat dit uitgangspunt wellicht te ver doorschiet. In het schoolmodel is de leerkracht een coach en heeft dus een coachende rol. Hij/zij "begeleidt en stimuleert de leerling, wijst op hiaten en helpt de leerling deze te overwinnen". Hiermee wordt het uiterste gevraagd van de competenties van de leerkrachten. Het is mogelijk, maar het lijkt me zaak dat leerkrachten in deze rol goed ondersteund en opgeleid worden.

Ik ben dus kritisch op het initiatief van O4NT. Desondanks zie ik ook positieve aspecten in hun plannen. Hun durf om buiten de gebaande paden te gaan en buiten de traditionele kaders te gaan, juich ik toe. Ik wens hen veel succes en wijsheid toe in de verdere ontwikkeling van hun schoolconcept.



donderdag 28 maart 2013

Een placebo-effect bij een kennistest

Iedereen kent het placebo-effect. Het is een fenomeen uit de geneeskunde dat je misschien nog het beste kunt typeren als 'de kracht van geloof'. In sommige gevallen is het om je beter te voelen of om zelfs te genezen voldoende om een pil te slikken, ook al bevat die pil geen werkzame stof. Het effect is zo sterk dat huisartsen er regelmatig gebruik van maken. Ze schrijven dan bijvoorbeeld antibiotica voor als er sprake is van een eenvoudige virusinfectie (zie een recent artikel in de Daily Mail). De patiënt keert tevreden huiswaarts, want 'de pillen zullen hun werk wel doen'.
Hoe kan het dat placebo's werken? Er zijn twee verklaringen, die beide een redelijk gelijkwaardige rol lijken te spelen. Ten eerste creëer je met het toedienen van een placebo een verwachting. Daardoor richt degene die het placebo ontvangt zich niet meer op ziekte-symptomen maar veel meer op symptomen die met genezing te maken hebben. Met de pil verleg je dus iemands aandacht. De tweede verklaring heeft met conditioneren te maken. Uit eerdere ervaringen weet je lichaam dat het slikken van pillen geassocieerd is met lichamelijk herstel. Je lichaam heeft dus geleerd hoe het reageert op pillen, en wat voor pil je ook slikt, er volgt een herstelreactie.
Ulrich Weger
Zou het placebo-effect alleen optreden bij het slikken van pillen, of zou het ook in andere situaties kunnen optreden, bijvoorbeeld als het gaat om kennis? Die intrigerende vraag is het onderwerp van een onderzoek dat recent is gepubliceerd in The Quarterly Journal of Experimental Psychology. Het is een samenwerkingsproject van Ulrich Weger en Stephen Loughnan, verbonden aan universiteiten in Duitsland en Australië. Weger en Loughnan beschrijven een experiment dat zij uitvoerden waarin psychologiestudenten op de computer een test voor algemene kennis maakten. De test bestond uit twintig vierkeuzevragen, en de vragen waren van het niveau "Wie schilderde de Guernica?" (Picasso, Dali, Miro, of El Greco). Tweemaal twintig studenten deden mee, en zij werden willekeurig verdeeld over twee condities: een placeboconditie en een controleconditie. De crux zit natuurlijk in de experimentele procedure die studenten in beide condities ondergingen, met name de placeboconditie. Er werd een heel specifieke procedure uitgevoerd in drie stappen.
  1. Opwarmfase. Net voordat voorbeeldvragen op het scherm verschenen verscheen eerst het juiste antwoord op het scherm. Als proefpersoon hoefde je dan dus eigenlijk alleen maar een check uit te voeren.
  2. Callibratiefase. De tijd dat het juiste antwoord op het scherm verscheen werd geleidelijk ingekort, naar zo kort dat de antwoorden niet meer leesbaar waren. Tegen proefpersonen werd gezegd dat de woorden onbewust nog wel verwerkt werden (en daarvoor is ook bewijs vanuit de psychologische literatuur over 'priming'). Zodra dit moment bereikt was begon het echte experiment.
  3. Experimentfase. Het correcte antwoord flitste voorafgaand aan elke vraag kort in beeld. Tenminste, dat dachten de goed opgewarmde en gecallibreerde proefpersonen. In werkelijkheid flitste telkens een willekeurige reeks letters in beeld voorafgaand aan elke vraag.
De controleconditie was in dit experiment vrijwel gelijk aan de experimentconditie, op 1 detail na: de studenten in deze conditie kregen niet te horen dat ze 'onbewust geprimed' zouden worden met het juiste antwoord, maar dat ze alleen een korte flits zouden zien voorafgaan aan een vraag om zo de vraag aan te kondigen. De verwachting van de onderzoekers was dat als er een succesvol placebo-effect zou optreden, studenten in de experimentconditie hoger zouden scoren dan studenten in de controleconditie. Net zoals een pil zonder werkzame stof invloed kan hebben op het herstelproces zou een instructie zonder werkzaam bestanddeel dan invloed op de cognitieve prestatie hebben. Dat is precies wat zij vonden. Studenten in de experimentconditie scoorden op de test gemiddeld 9,85 (standaarddeviatie 1,87) en studenten in de controleconditie gemiddeld 8,37 (standaarddeviatie1,77), een statistisch significant verschil. (overigens, de onderzoekers zeggen hier niets over, maar ik vind de behaalde scores in beide condities aan de lage kant!)
Weger en Laughnan verklaren in hun discussie dit mooie resultaat door te wijzen op het verminderen van inhibitie in de placebo-conditie. Normaal zijn mensen terughoudend als ze twijfelen over het juiste antwoord op een vraag. Als je het idee hebt 'ik ben geprimed!', dan zou die terughoudendheid wel eens minder kunnen worden. Het zou aardig zijn om te onderzoeken of je dit effect kunt repliceren in andere situaties waarin verwachtingen over je eigen prestaties een rol spelen, bijvoorbeeld het bekende 'stereotype threat'.
Aantonen dat de verwachting van een proefpersoon invloed heeft op de resultaten op een kennistoets is een interessante en waardevolle bevinding. Wat  echter naar mijn idee vooral waardevol is aan het onderzoek van Weger en Loughnan is niet per se het onderzoek zelf, maar meer de vragen die het oproept. Zij openen een nieuwe weg naar onderzoek naar verwachtingseffecten met hun onderzoekstaak (bijvoorbeeld: hoe lang blijft zo'n placebo-effect 'hangen', en: naar welke cognitieve taken kun je dit nog uitbreiden?). De experimentele manipulatie die de onderzoekers introduceren geeft onderwijsonderzoekers een krachtig instrument in handen.



Bronnen

donderdag 7 maart 2013

Neurowetenschap en onderwijs: je lichaam centraal

Ook al is het ook in de uitgeverswereld crisis, er is gelukkig nog ruimte om zo nu en dan een nieuw wetenschappelijk tijdschrift te starten. Een relatief nieuwe ster aan het firmament is het journal Trends in Neuroscience in Education. De trotse hoofdredacteur Manfred Spitzer verdedigt in de inleiding van het eerste nummer zijn stelling 'To understand learning is to understand the brain'. Hij geeft toe dat neurowetenschap eigenlijk nog maar aan het begin staat. Maar net zoals gebrek aan kennis de gebroeders Wright er niet van weerhield om te proberen een provisorisch vliegtuig te bouwen, zo moet de wetenschapper vooral pogingen doen de grenzen van de kennis op te zoeken. Hij waarschuwt voor te grote stappen in één keer (een kwaliteit waar vooral beleidsmakers in uitblinken) maar betreurt het dat er vaak wat lacherig over het vertalen van fundamenteel onderzoek naar concrete toepassingen wordt gedaan. Oftewel: dit nieuwe journal is met een stevige ambitie opgezet.
Natalie Trumpp
De thema's van de artikelen in het eerste nummer lijken traditioneel: dyslexie, studiemotivatie, getallenkennis... maar de stukken hebben een andere insteek dan in andere journals. Dat komt duidelijk naar voren in een van de eerste artikelen, dat gaat over 'embodied cognition'. De titel is "Embodiment theory and education: The foundations of cognition in perception and action". De schrijvers, Markus Kiefer en Natalie Trummp, zijn verbonden aan de Universiteit van Ulm in Duitsland. Embodiment is het idee dat je cognitie niet los kunt zien van het lichaam waarin die cognitie plaatsvindt. Dat is anders dan de 'standaard'-psychologie, waarin geest en lichaam zorgvuldig van elkaar gescheiden zijn. Een korte uitleg.
Misschien ken je het 'brain in a vat'-gedachte-experiment wel (in het Nederlands 'Hersenen in een vat'). Het is het idee dat je hersenen los in een vat zou kunnen bewaren. Alle sensaties worden gesimuleerd. Het filosofische aspect zit hierin dat niemand van ons zeker weet dat hij geen stel hersenen in een vat is. Heel Descartiaans, allemaal. De cognitieve psychologie vormt in zekere zin een meer conceptuele variant van dit experiment: ons denken (cognitie) staat los van het medium waarin die cognitie plaatsvindt. De geest als software van het brein (de hardware) als het ware. Wij zijn ons brein, zegt Dick Swaab. Maar wij zijn niet alleen ons brein, wij zijn ons lichaam. Sommigen zeggen: je moet met het lichaam, en met name de zintuigen, rekening houden als je iets over de werking van onze hersenen wil weten. Dat zijn de aanhangers van 'embodied cognition'. Zij zeggen: onze zintuigen maar ook onze ledematen bepalen voor een deel onze cognitie, die daarmee dus 'embodied' is. Raar idee? Ja en nee. Als je 's nachts wakker wordt weet je zonder te bewegen waarschijnlijk feilloos waar je armen zich bevinden (probeer het eens!). Dat vermogen wordt proprioperceptie genoemd. Proprioperceptie is wat dat betreft een zesde zintuig. Daarnaast blijkt onze lichaamshouding invloed te hebben op onze mentale 'getallenlijn'. Consequentie: mensen die naar links leunen schatten de hoogte van de Eiffeltoren lager in dan mensen die naar rechts leunen (dat prachtige onderzoek werd bekroond met een Ignobel-prijs).
Het artikel van Kiefer en Trumpp gaat over de relevantie van embodied cognition voor onderwijs en leren. Het artikel gaat in op verschillende vormen van 'embodiment': bij lezen en schrijven, bij geheugen voor gebeurtenissen, en bij conceptueel geheugen van objecten en getallen. Met name lezen en schrijven zijn interessant. De auteurs beargumenteren dat leren schrijven met de hand een beter geheugen voor de vorm van letters oplevert dan typen. Dat wordt ondersteund door gegevens uit een artikel van James en Engelhardt, dat in hetzelfde tijdschrift staat. Nu weet ik dat schrijven met de hand als activiteit op scholen langzamerhand naar de achtergrond verdwijnt. Heel normaal, volgens sommige juffen (getuige dit journaalitem van 2 februari jl.), maar helemaal niet slim, dus. Met de hand leren schrijven levert meer letter- en tekstbegrip op dan typen. De andere onderwerpen in het artikel zijn ook interessant, maar meer zijdelings gerelateerd aan onderwijs. Het blijkt bijvoorbeeld zo te zijn dat het lezen van een woord dat met geluid geassocieerd is ('telefoon') tijdens het lezen ervan die sensorische hersengebieden activeert die met het daadwerkelijk horen van een telefoon te maken hebben. Voor het lezen over acties geldt hetzelfde: die brengen activatie in de motorische hersenschors teweeg. Tenslotte laat onderzoek naar ons conceptuele geheugen voor getallen zien hoe belangrijk het leren tellen met de vingers is voor een beter begrip van cijfers: hoe je als kind omgaat met het tellen op je vingers blijkt invloed te hebben op je gevoel voor getallen als volwassene! Het zijn fascinerende inkijkjes in een vakgebied dat nog een lange weg te gaan heeft, maar nu al tot toepassingen in het onderwijs kan leiden.
Al met al is Trends in Neuroscience and Education veelbelovend van start gegaan. We zullen zien hoe lang Manfred Spitzer dit vliegtuig in de lucht weet te houden. Ik zal de publicaties in volgende nummers met belangstelling blijven volgen en als dat relevant is er hier over rapporteren.

PS. Deze blog bestaat nu een jaar. Dank jullie wel voor de belangstelling!

Bronnen
James, K.H., & Engelhardt, L. (2013). The effects of handwriting experience on functional brain development in pre-literate children. Trends in Neuroscience and Education, 1, 32-42. http://dx.doi.org/10.1016/j.tine.2012.08.001

Kiefer, M., & Trummp, N.M. (2013). Embodiment theory and education: The foundations of cognition in perception and action. Trends in Neuroscience and Education, 1, 15-20. http://dx.doi.org/10.1016/j.tine.2012.07.002

zondag 3 maart 2013

Vind ik leuk: De rol van Facebook bij studieoriëntatie en -verwachtingen

Om scholieren te interesseren voor de studie Onderwijskunde besteden we veel aandacht aan voorlichting. Zo geven we onder andere presentaties aan scholieren op de algemene open dag van de Universiteit Utrecht op 16 maart, brengen we bezoeken aan scholen om daar te vertellen over onze opleiding en organiseren we meeloopdagen voor scholieren die willen proeven wat het inhoudt om Onderwijskunde te studeren. Hoewel we behoorlijk wat scholieren weten te bereiken met deze 'traditionele' vormen van studievoorlichting, zijn er ook andere wmanieren om scholieren te informeren over onze opleiding. Welke rol kunnen sociale media hier bijvoorbeeld in spelen?

De laatste tijd kom ik meer en meer onderzoeksartikelen tegen die de rol van sociale media (voornamelijk Facebook) in het onderwijs onderzoeken. Eén van de interessantere artikelen is een artikel van Wohn et al. (2013) in het tijdschrift Computers & Education. Zij onderzochten welke vormen van sociaal kapitaal samenhangen met (1) het vertrouwen dat scholieren hebben in hun kennis van het toegelaten worden tot de universiteit en (2) hun verwachtingen over het succes dat ze zullen hebben op de universiteit. Daarbij onderzochten Wohn et al. of de invloed van sociaal kapitaal op deze twee variabelen verschilt studenten wiens beide ouders niet aan de universiteit studeerden (zogenaamde eerste-generatie studenten) versus studenten waarvan één of beide ouders wél aan de universiteit studeerden.


In hun onderzoek onderscheidden Wohn et al. twee bronnen van sociaal kapitaal: ondersteuning van ouders en vrienden of leeftijdsgenoten. Daarnaast onderscheidden ze nog een derde vorm van sociaal kapitaal, namelijk ondersteuning van vrienden op Facebook. Zo vroegen de onderzoekers bijvoorbeeld of scholieren vriend op Facebook zijn met iemand die aan de universiteit studeert of daar gestudeerd heeft en of ze informatie over universiteiten en studeren verzamelen via Facebook.

De uitkomsten zijn interessant en laten zien dat Facebook een rol kan spelen in de manier waarop aankomende studenten informatie verzamelen over universiteiten en het gaan studeren aan een universiteit en de verwachtingen die zij hebben over het succes dat ze zullen hebben aan de universiteit. Dit geldt echter alléén voor de eerste-generatie studenten. Met betrekking tot het vertrouwen dat studenten hebben in het toegelaten worden tot de universiteit schrijven de onderzoekers:
"For first-generation students, confidence in the application process was associated with instrumental support from Facebook Friends and information obtained from social media. For non first-generation students, support garnered through social media was not instrumental to confidence in one's application efficacy."
En wat betreft de verwachtingen die scholieren over het succes dat ze zullen hebben aan de universiteit, concluderen zij:
"For non first-generation students, close friends played a large role in terms of how successful they thought they were going to be in college. More emotional support from close friends increased their expectation of college success. Interestingly, higher frequency of Facebook use decreased expectations of college success for non first-generation students. ... For first-generation students, social media played a bigger role in predicting expectations of college success. Having Facebook Friends who were currently in, or graduated from college raised participants' expectations of success. These connections to others on Facebook may serve as positive examples of people from similar backgrounds – racially, socioeconomically, and otherwise – who successfully graduated from college, thus instilling confidence in high school students that they, too, can be successful in college. ... Frequency of Facebook use, however, was again a negative predictor, suggesting that certain types of activities on Facebook are not as beneficial."
Het lijkt dus zo te zijn dat het gebruiken van Facebook om informatie te verkrijgen over universiteiten en gaan studeren bij eerste-generatie studenten positief samenhangt met hun verwachtingen over hun succes aan de universiteit: eerste generatie-studenten die uit hun Facebook netwerk veel informatie over gaan studeren aan de universiteit kunnen halen, zijn positiever over hun kansen op succes dan studenten die dat niet kunnen. Bij beide groepen bestaat er echter ook een negatieve samenhang tussen de intensiteit van het gebruiken van Facebook en verwachtingen over succes aan de universiteit: studenten die veel tijd op Facebook doorbrengen, hebben negatievere verwachtingen.

De vraag is wel in hoeverre deze resultaten zich laten vertalen naar de Nederlandse situatie. In de Verenigde Staten is het aanmerkelijk ingewikkelder om toegelaten te worden tot een universiteit. Je examencijfers spelen een grote rol in je kansen om toegelaten te worden en daarnaast zijn er allerlei mogelijkheden om een beurs te krijgen. De implicaties van dit onderzoek liggen echter voor de hand. Voor universiteiten en opleidingen kan het dus van belang zijn om te trachten via sociale media studenten te bereiken en hen te informeren de universiteit of de studie.

Bij Onderwijskunde zijn we daar al druk mee: zie onze Facebook pagina en ons Twitter account!