Op 11 oktober organiseert de afdeling Educatie aan de Universiteit Utrecht een symposium over het onderwerp 'Docent expertise' en de ontwikkeling hiervan. Het symposium vindt plaats op de Uithof in het Wentgebouw. U bent van harte welkom op dit symposium. Naast keynote speaker Professor Anders Ericsson, expert op het gebied van expertise, zullen presentaties worden gegeven door verschillende onderwijskundigen. Er is ruimte voor een plenaire discussie en posterpresentaties. Klik op het plaatje hieronder voor de aankondiging in PDF, daarop staat hoe u zich kunt aanmelden voor het symposium. Graag tot 11 oktober!
Over onderwijs en onderzoek. Door de afdeling Educatie van de Universiteit Utrecht.
woensdag 22 augustus 2012
dinsdag 21 augustus 2012
Onderwijs en politiek: De stilte na de langstudeerboete
| CDA lijsttrekker Van Haersma Buma. |
Je zou kunnen denken dat onderwijs weer hoog op de politieke agenda
staat en een belangrijk onderwerp vormt in de verkiezingscampagne.
Nadat CDA lijsttrekker Van Haersma Buma het vuurtje opstookte door te
stellen dat wat hem betreft de langstudeerboete afgeschaft moest worden,
lijkt het onderwijs weer helemaal terug als twistpunt in de
verkiezingsstrijd. Zendtijd in alle journaals en actualiteitsrubrieken,
opiniestukjes in de kranten en spoeddebatten plus een dreigende motie
van wantrouwen tegen de staatssecretaris. Waar het naartoe moet met het
Nederlandse onderwijs is weer inzet van de verkiezingen!
Volgens mij is niets minder waar. Behalve de
aandacht voor de langstudeerboete| heerst er een oorverdovende stilte
over het onderwijs in de politieke campagnes. En dat is vreemd. Waar het
afgelopen jaar het onderwijs regelmatig (negatief) in het nieuws was
(bijvoorbeeld vanwege onze dalende positie op internationale
onderwijsranglijstjes, de bezuiniging op het Passend Onderwijs, etc.)
blijft het nu stil. Wat zijn de plannen van onze politieke partijen? Wat
zijn hun speerpunten wat betreft het onderwijs? Wat is de visie van
onze lijsttrekkers over problemen en vraagstukken in het Nederlandse
onderwijs? Weet u het? Ik niet.
De aandacht
voor de langstudeerboete camoufleert dit schrijnende gebrek aan aandacht
voor het onderwijs. Begrijp me goed: ik vind het prima dat de
langstudeerboete mogelijk van tafel gaat. Maar is dit nu werkelijk het
enige en grootste onderwijsvraagstuk waar we op dit moment mee
geconfronteerd worden? Volgens mij niet.
| Veel onrust over de bezuinigingen op het passend onderwijs. |
Wat
te denken van het toenemende aantal onbevoegde docenten in het onderwijs
en de gevolgen daarvan op de leerlingen? Of van de leerkrachten in het
basisonderwijs die zich steeds vaker geconfronteerd zien met grotere
klassen? Of de toetscultuur die in het onderwijs is aan het onstaan,
waarbij meer en meer getoetst moet worden, met als ogenschijnlijk
voornaamste doel controle (van scholen en docenten) en kwalificatie (van
leerlingen)? Of van de trend dat taal en rekenen/wiskunde weer meer
gewicht en aandacht krijgen in het onderwijs? Is dat een goede
ontwikkeling of gaat dat misschien ten koste van andere kennis en
vaardigheden die leerlingen op school leren?
Dit
is nog maar een beperkte greep uit onderwijsthema's waarover debat
mogelijk is. Hoe kijken onze politieke partijen tegen al deze
vraagstukken aan?
Donderdag debatteert de
Tweede Kamer weer met staatssecrataris Zijlstra over de
langstudeerboete. Er zal heus wel een oplossing gevonden worden.
Iedereen een beetje tevreden. En dan? Blijft onderwijs op de
verkiezingsagenda? Het antwoord laat zich raden. Na het gekakel en geschreeuw over de langstudeerboete, zal de stilte des te overdonderender zijn.
Wat zou er voor kunnen zorgen dat de discussie
verder wordt aangewakkerd? Zou het niet prachtig zijn als, laten we zeggen,
de nummer 23 op de lijst van D66 eens olie op het vuur gooit en komt
met een ferme uitspraak als: 'Meer gestandaardiseerde tests in het
onderwijs? Over my dead body!'. Wat zou er dan een mooie discussie
kunnen ontstaan tussen onze aankomende volksvertegenwoordigers over hun
visie voor het Nederlandse onderwijs. Ik hoop het van harte. Tot die
tijd blijft onderwijs toch een ondergeschikt thema in de
verkiezingsstrijd.
zondag 17 juni 2012
Nogmaals, verstand van toetsen
Voor goed onderwijs is de kwaliteit van leerkrachten van levensbelang. Het is niet alleen belangrijk dat zij inzicht hebben in de beoogde leerinhoud en de aard van de leerlingen. Ze moeten ook een krachtige leeromgeving kunnen arrangeren, in het basisonderwijs bovendien gedurende de gehele onderwijsperiode. En omdat alle leerlingen uniek zijn en passend onderwijs is geboden is het geen wonder dat er steeds meer volgsystemen op de markt komen. Zo kan de leerkracht de leerling op de voet volgen in zijn ontwikkeling. En daar wordt het onderwijs alleen maar beter van, of niet soms?
Nu, ik denk van niet! En wel om het volgende. Ten eerste vraagt het van de leerkracht veel (toetstechnische) kennis om toetsresultaten juist te interpreteren en te vertalen naar een juist oordeel. Cijfers en afvinklijstjes geven het gevoel van weten, terwijl er altijd maar beperkt is gemeten. Zonder reflectie op een score, heeft deze geen betekenis. Vaak worden het toetsresultaat en het oordeel verward. Ik zie op het rapport van mijn zoon bijvoorbeeld een 4 voor tafels, terwijl hij de tafels prima uit zijn hoofd kent. Nu weet de juf dat in dit geval gelukkig ook. Maar ja, men zet nou eenmaal de toetsuitslag op het rapport. Over de functie van een rapport wordt allang niet meer nagedacht, rapporten invullen is een routineklus geworden...
Dat brengt me op mijn tweede argument. Het gebruiken van een meetinstrument vraagt om een professionele beroepshouding, waarbij helder is wat de verantwoordelijkheid is van de professional en kennis van de functie van de instrumenten die je gebruikt. Een professional interpreteert de gemeten scores niet alleen, maar weegt ze ook naast andere inzichten en beslist welke vervolgactie passend is. Een arts doet dat met een bloedonderzoekuitslag, en zo moet een leerkracht dat ook doen met een toetsuitslag. Ik wil niet zozeer mijn bloedwaardes weten, ik wil weten welke diagnose de arts daaraan verbindt. Ik wil van de school een professioneel oordeel weten en een advies.
Het derde argument is dat juist de ogenschijnlijke eenvoud van gebruiksvriendelijke toetsinstrumenten de beoordelingskwaliteit van het onderwijs verkleint. Teveel vertrouwen in een volgsysteem zal de zwakke beoordelingsvaardigheden van sommige leerkrachten verdoezelen. Goede leerkrachten hebben een volgsysteem niet zozeer nodig hebben om te weten hoe hun leerlingen ervoor staan, zij gebruiken het als aanvulling van hun eigen oordeel.
Een vierde argument is dat teveel nadruk op instrumenten kan leiden tot ondermijning van de erkende waarde van de professional. Ik wantrouw de arts, dus geef me zelf maar die echo, ik vind de juf niet prettig, ik vertrouw maar gewoon op de citoscore van mijn kind.
Tenslotte is er de financiële vraag. Als het overheidsgeld dat nu geïnvesteerd wordt in voortgangstoetsen eens werd geïnvesteerd in het verzwaren van de lerarenopleiding. Dan hebben we straks die professionals ook echt in de klas die naar de talenten en prestaties van mijn kind kijkt in plaats van naar de scores van de toetsen van mijn kind.
Het wrange is dat volgsystemen in het onderwijs worden ingezet om de kwaliteit van scholen en van onderwijs te verhogen. Ik ben van mening dat het juist de kwaliteit ondermijnt, door de overwaardering van systemen en procedures en het maskeren van een soms pijnlijk tekort aan expertise.
Ook in het bedrijfsleven zie ik vergelijkbare ontwikkelingen, bijvoorbeeld als het gaat om kwaliteitszorg en controle daarop. Ik roep wel eens: "Waar kwaliteitszorg start, stopt het leren." ISO-certificering hangt maar beperkt samen met goede kwaliteitszorg. Kwaliteitsbeleid en dito procedures staan niet garant voor kwaliteitsdenken. Daar waar door een afgedwongen "meten wat we kunnen meten in plaats van meten wat we willen weten"-aanpak vinklijstjes het verstand gaan domineren, moet de echte professional opstaan. In de zorgsector zie ik dat steeds vaker gebeuren. De dialoog aangaan met medewerkers, klanten en collega's, in plaats van vinkjes zetten en lijstjes aanleveren. Zelf kijken, zelf nadenken wat kwaliteit is en zelf bepalen wat je daarvoor moet weten, dus.
Ik vind het een bemoedigende trend, van controle naar inzicht en vertrouwen. Er is nog hoop voor het onderwijs.
Nu, ik denk van niet! En wel om het volgende. Ten eerste vraagt het van de leerkracht veel (toetstechnische) kennis om toetsresultaten juist te interpreteren en te vertalen naar een juist oordeel. Cijfers en afvinklijstjes geven het gevoel van weten, terwijl er altijd maar beperkt is gemeten. Zonder reflectie op een score, heeft deze geen betekenis. Vaak worden het toetsresultaat en het oordeel verward. Ik zie op het rapport van mijn zoon bijvoorbeeld een 4 voor tafels, terwijl hij de tafels prima uit zijn hoofd kent. Nu weet de juf dat in dit geval gelukkig ook. Maar ja, men zet nou eenmaal de toetsuitslag op het rapport. Over de functie van een rapport wordt allang niet meer nagedacht, rapporten invullen is een routineklus geworden...
Dat brengt me op mijn tweede argument. Het gebruiken van een meetinstrument vraagt om een professionele beroepshouding, waarbij helder is wat de verantwoordelijkheid is van de professional en kennis van de functie van de instrumenten die je gebruikt. Een professional interpreteert de gemeten scores niet alleen, maar weegt ze ook naast andere inzichten en beslist welke vervolgactie passend is. Een arts doet dat met een bloedonderzoekuitslag, en zo moet een leerkracht dat ook doen met een toetsuitslag. Ik wil niet zozeer mijn bloedwaardes weten, ik wil weten welke diagnose de arts daaraan verbindt. Ik wil van de school een professioneel oordeel weten en een advies.
Het derde argument is dat juist de ogenschijnlijke eenvoud van gebruiksvriendelijke toetsinstrumenten de beoordelingskwaliteit van het onderwijs verkleint. Teveel vertrouwen in een volgsysteem zal de zwakke beoordelingsvaardigheden van sommige leerkrachten verdoezelen. Goede leerkrachten hebben een volgsysteem niet zozeer nodig hebben om te weten hoe hun leerlingen ervoor staan, zij gebruiken het als aanvulling van hun eigen oordeel.Een vierde argument is dat teveel nadruk op instrumenten kan leiden tot ondermijning van de erkende waarde van de professional. Ik wantrouw de arts, dus geef me zelf maar die echo, ik vind de juf niet prettig, ik vertrouw maar gewoon op de citoscore van mijn kind.
Tenslotte is er de financiële vraag. Als het overheidsgeld dat nu geïnvesteerd wordt in voortgangstoetsen eens werd geïnvesteerd in het verzwaren van de lerarenopleiding. Dan hebben we straks die professionals ook echt in de klas die naar de talenten en prestaties van mijn kind kijkt in plaats van naar de scores van de toetsen van mijn kind.
Het wrange is dat volgsystemen in het onderwijs worden ingezet om de kwaliteit van scholen en van onderwijs te verhogen. Ik ben van mening dat het juist de kwaliteit ondermijnt, door de overwaardering van systemen en procedures en het maskeren van een soms pijnlijk tekort aan expertise.
Ook in het bedrijfsleven zie ik vergelijkbare ontwikkelingen, bijvoorbeeld als het gaat om kwaliteitszorg en controle daarop. Ik roep wel eens: "Waar kwaliteitszorg start, stopt het leren." ISO-certificering hangt maar beperkt samen met goede kwaliteitszorg. Kwaliteitsbeleid en dito procedures staan niet garant voor kwaliteitsdenken. Daar waar door een afgedwongen "meten wat we kunnen meten in plaats van meten wat we willen weten"-aanpak vinklijstjes het verstand gaan domineren, moet de echte professional opstaan. In de zorgsector zie ik dat steeds vaker gebeuren. De dialoog aangaan met medewerkers, klanten en collega's, in plaats van vinkjes zetten en lijstjes aanleveren. Zelf kijken, zelf nadenken wat kwaliteit is en zelf bepalen wat je daarvoor moet weten, dus.
Ik vind het een bemoedigende trend, van controle naar inzicht en vertrouwen. Er is nog hoop voor het onderwijs.
vrijdag 25 mei 2012
We hebben verstand van toetsen, maar hebben we ook verstand van toetsen?
Aankomende vrijdag mag ik een praatje houden op het afscheid van Piet Sanders. Piet Sanders is expert op het gebied van toetsing, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Examens en jarenlang werkzaam geweest bij Cito. Ik ben zeer vereerd, want ik ben onbekend, niet gepromoveerd, vrouw, jong en noem nog maar wat afwijkingen ten opzichte van het gemiddeld mensprofiel van die dag.
CITO vroeg me om iets te vertellen over mijn ervaringen met toetsen in het werkveld. Nu ben ik voor veel van mijn klanten weliswaar een expert op toetsgebied, maar ten opzichte van Piet Sanders verbleekt mijn psychometrische kennis terstond. Ik ga daar dus niets vertellen over toetsen, en misbruik dit blog om mijn gedachten te ordenen.
Waar ik in Piet de afgelopen jaren een aantal malen een bondgenoot vond, was in de zoektocht naar goede toetsen die bruikbaar zijn in het veld. Het veld was de detailhandelsbranche. De vraag was of er een praktijkexamen moest komen. Ik ben er een groot voorstander van om de bruikbaarheidseis op te nemen als een kwaliteitseis voor alles, dus zeker ook voor toetsen. En dan niet om eens en voor altijd een einde te maken aan de lijst van randvoorwaarden, maar omdat de bruikbaarheidseis je dwingt om naar de context en naar de echte vraag te kijken. Deze opmerking zette mij aan het denken.
The proof of the pudding is in the eating, maar is the proof of the performance in the assessment? Ik geloof het niet zo erg. De toets is maar een van de vele middelen om te bewijzen of te controleren dat iemand competent is. De context biedt vaak ook vele mogelijkheden om te controleren of iemand competent is. Audits zijn misschien wel een geschikter middel om gedrag te beoordelen dan een praktijkexamen.
De echte vraag gaat bijna nooit om het behalen van de toets, die gaat verder dan dat. Die gaat in de situaties die ik bedoel, over het mogen werken in een werkveld, een beroep mogen uitoefenen.
Dat daar eisen aan verbonden kunnen worden is klip en klaar, het aantoonbaar maken dat aan die eisen is voldaan al een uitdagende missie. Het met het behalen van een toets voor 100% garanderen dat die persoon een beginnende vakman is, misschien wel een utopie. Toetsen maken is afleiden, afleiden is informatie verliezen, informatie verliezen is risico's nemen. Juist daar waar je je wilde verzekeren van kwaliteit.
Toen ik mijn intrede maakte in de wereld van de detailhandel en examinering maakte ik kennis met vele 'mannetjes'. Mannetjes die al jaren meeliepen in het vak, die precies wisten wat een vakman is. Bovendien hadden ze ook veel opvattingen over examineren.
Zoals dat je het nooit kunt beschrijven, want het zit toch in de vingers en tussen de oren. Vaste criteria opstellen om te beoordelen was niet nodig en eigenlijk onmogelijk.
Zoals dat je moet vragen naar wat iemand weet, dus even een beetje helpen als iemand het niet weet is heel verstandig.
Zoals dat met zijn tweeën een kandidaat beoordelen niet nodig is, als je maar kundige vakmensen vraagt als jury. En die kennen elkaar allemaal nog van vroeger, die zijn het wel eens.
Het was een uitdagende tijd en voordat ik de toetsmatrijs en het praktijkexamenprotocol had geïmplementeerd was ik veranderd van dat leuke meisje, in die strenge mevrouw.
Destijds was ik tevreden met wat ik bereikt had, maar nu weet ik het soms niet meer zo zeker.
Laatst las ik weer eens het boek "De man die zijn vrouw voor een hoed hield", en ik ging weer twijfelen aan mijn kwaliteitsverbeterinterventie. Oliver Sacks beschrijft daarin Dr. P., een ontwikkelde man die het vermogen heeft verloren om een cognitief oordeel te vellen. Niet omdat hij niet meer abstract kan denken, of categoriseren. Nee, juist omdat hij zijn intuitief vermogen verloren heeft en daarmee het vermogen persoonlijke verbinding aan te gaan en te voelen. Dit door een beschadiging van een deel van zijn hersenen. Dr P. herkent geen mensen meer, hij ziet alleen patronen. Hij ziet zijn vrouw voor een hoed aan. Sacks trekt een parallel naar de wetenschap, en noemt daarbij de psychologie en cognitieve neurologie. Maar geldt het niet ook voor de psychometrie. Om het concrete en reele te zien en te beoordelen, hebben we niet genoeg aan het indelen en ordenen, maar moeten we ook voortdurend intuitief oordelen en voelen.
Voor de toetsdeskundige heb ik daarom een vraag:
Betekent verstand hebben van toetsen dat je verstand hebt van ordenen of dat je verstand hebt van oordelen?
Aan Piet Sanders de dank dat hij mij heeft wakker geschud met zijn opmerking dat de bruikbaarheidseis van belang is. Bijzonder om te zien dat iemand die zijn sporen heeft verdiend met ordenen, het oordelen niet is verleerd.
CITO vroeg me om iets te vertellen over mijn ervaringen met toetsen in het werkveld. Nu ben ik voor veel van mijn klanten weliswaar een expert op toetsgebied, maar ten opzichte van Piet Sanders verbleekt mijn psychometrische kennis terstond. Ik ga daar dus niets vertellen over toetsen, en misbruik dit blog om mijn gedachten te ordenen.
Waar ik in Piet de afgelopen jaren een aantal malen een bondgenoot vond, was in de zoektocht naar goede toetsen die bruikbaar zijn in het veld. Het veld was de detailhandelsbranche. De vraag was of er een praktijkexamen moest komen. Ik ben er een groot voorstander van om de bruikbaarheidseis op te nemen als een kwaliteitseis voor alles, dus zeker ook voor toetsen. En dan niet om eens en voor altijd een einde te maken aan de lijst van randvoorwaarden, maar omdat de bruikbaarheidseis je dwingt om naar de context en naar de echte vraag te kijken. Deze opmerking zette mij aan het denken.
The proof of the pudding is in the eating, maar is the proof of the performance in the assessment? Ik geloof het niet zo erg. De toets is maar een van de vele middelen om te bewijzen of te controleren dat iemand competent is. De context biedt vaak ook vele mogelijkheden om te controleren of iemand competent is. Audits zijn misschien wel een geschikter middel om gedrag te beoordelen dan een praktijkexamen.De echte vraag gaat bijna nooit om het behalen van de toets, die gaat verder dan dat. Die gaat in de situaties die ik bedoel, over het mogen werken in een werkveld, een beroep mogen uitoefenen.
Dat daar eisen aan verbonden kunnen worden is klip en klaar, het aantoonbaar maken dat aan die eisen is voldaan al een uitdagende missie. Het met het behalen van een toets voor 100% garanderen dat die persoon een beginnende vakman is, misschien wel een utopie. Toetsen maken is afleiden, afleiden is informatie verliezen, informatie verliezen is risico's nemen. Juist daar waar je je wilde verzekeren van kwaliteit.
Toen ik mijn intrede maakte in de wereld van de detailhandel en examinering maakte ik kennis met vele 'mannetjes'. Mannetjes die al jaren meeliepen in het vak, die precies wisten wat een vakman is. Bovendien hadden ze ook veel opvattingen over examineren.
Zoals dat je het nooit kunt beschrijven, want het zit toch in de vingers en tussen de oren. Vaste criteria opstellen om te beoordelen was niet nodig en eigenlijk onmogelijk.
Zoals dat je moet vragen naar wat iemand weet, dus even een beetje helpen als iemand het niet weet is heel verstandig.
Zoals dat met zijn tweeën een kandidaat beoordelen niet nodig is, als je maar kundige vakmensen vraagt als jury. En die kennen elkaar allemaal nog van vroeger, die zijn het wel eens.
Het was een uitdagende tijd en voordat ik de toetsmatrijs en het praktijkexamenprotocol had geïmplementeerd was ik veranderd van dat leuke meisje, in die strenge mevrouw.
Destijds was ik tevreden met wat ik bereikt had, maar nu weet ik het soms niet meer zo zeker.
Laatst las ik weer eens het boek "De man die zijn vrouw voor een hoed hield", en ik ging weer twijfelen aan mijn kwaliteitsverbeterinterventie. Oliver Sacks beschrijft daarin Dr. P., een ontwikkelde man die het vermogen heeft verloren om een cognitief oordeel te vellen. Niet omdat hij niet meer abstract kan denken, of categoriseren. Nee, juist omdat hij zijn intuitief vermogen verloren heeft en daarmee het vermogen persoonlijke verbinding aan te gaan en te voelen. Dit door een beschadiging van een deel van zijn hersenen. Dr P. herkent geen mensen meer, hij ziet alleen patronen. Hij ziet zijn vrouw voor een hoed aan. Sacks trekt een parallel naar de wetenschap, en noemt daarbij de psychologie en cognitieve neurologie. Maar geldt het niet ook voor de psychometrie. Om het concrete en reele te zien en te beoordelen, hebben we niet genoeg aan het indelen en ordenen, maar moeten we ook voortdurend intuitief oordelen en voelen.
Voor de toetsdeskundige heb ik daarom een vraag:
Betekent verstand hebben van toetsen dat je verstand hebt van ordenen of dat je verstand hebt van oordelen?
Aan Piet Sanders de dank dat hij mij heeft wakker geschud met zijn opmerking dat de bruikbaarheidseis van belang is. Bijzonder om te zien dat iemand die zijn sporen heeft verdiend met ordenen, het oordelen niet is verleerd.
maandag 7 mei 2012
Academische schrijfvaardigheden
Ik leg mij toe op 't schrijven van levend Hollands. Maar ik heb schoolgegaan.
Multatuli
Multatuli
Een tijdje terug heb ik het boek weer eens van zolder gehaald: Harrie Lamers - Handleiding voor PR- en reclameteksten (uit 1991). Het gaat inderdaad over het schrijven van wervende teksten, maar ook over zaken als het vouwen van folders en de beste manier om een lijkrede te houden (opbouw: afscheid, herinnering, verdiensten, troost). Ondanks de nogal saaie lay-out en de totale afwezigheid van plaatjes bewaar ik goede herinneringen aan dit boek: het heeft er mede voor gezorgd dat ik tijdens mijn studietijd eigenlijk geen enkel probleem heb ondervonden bij het schrijven van teksten. Het boek staat bomvol aanwijzingen van het type: 'lange lijdende vorm in zin: 10 procent begripsverlies. Ontkenning in zin: 30 procent verlies." Meer had ik niet nodig. Waarom heb ik zo veel aan dat boek gehad? Ik denk dat dat vooral komt omdat de aanwijzingen gingen over waar het om moét gaan bij schrijven: hoe maak je het de lezer makkelijk. Het doel van een tekst is om te overtuigen en om de aandacht van de lezer vast te houden. Dat geldt voor wervende teksten, maar ook voor wetenschappelijke. Ook voor een wetenschappelijk artikel geldt: de eerste klap is een daalder waard. In de eerste paragraaf zet je de toon. Heb je de lezer daarmee ingepakt, dan verhoog je de kans op doorlezen.Ik heb gemerkt dat studenten schrijven vaak buitengewoon lastig vinden. Dat is jammer, want het is een activiteit die zich in het hoger onderwijs mag verheugen in een buitengewoon grote belangstelling. Daarnaast zijn naar mijn mening sommige argumenten om op te zien tegen schrijven gebaseerd op verkeerde aannames over wat goed schrijven is. Mijn doel is om hier een eenvoudige en persoonlijke analyse te geven van het probleem. Ik zal daarbij ook ingaan op de manier waarop ik zelf heb leren schrijven, waarmee ik overigens allerminst wil beweren dat ik beter schrijf dan anderen (alleen al mijn overmatig gebruik van haakjes en van de ik-vorm kunnen ergernis wekken).
Waarom vinden studenten schrijven lastig? Enkele mogelijke oorzaken:
- We noemen het niet schrijven, maar academisch schrijven. Niemand weet precies wat academisch schrijven is en wat daar zo anders aan is dan 'gewoon' schrijven, behalve dat het genre nadruk legt op de vorm van een tekst, het belang van bronvermelding, en het vermijden van plagiaat. Dat zijn zaken die voor de gemiddelde journalist net zo goed van belang zijn, maar die hier op een apart voetstuk lijken te zijn geplaatst. Ik kan me voorstellen dat student zich geïntimideerd voelen door het idee iets heel nieuws te moeten gaan doen: niet meer gewoon een tekst schrijven, maar een academische tekst. En dat, terwijl aan de onderliggende vereiste vaardigheid niets verandert.
- Probleem 1 heeft soms een curieus gevolg: studenten denken dat academisch schrijven een wetenschappelijke toon vereist (wat waar is), en dat de tekst daarom vooral moeilijk moet zijn (wat niet waar is). Derhalve in plaats van dus, daar in plaats van omdat, en vooral veel gebruikmaken van de indirecte vorm ('Er werd gebruikgemaakt van 30 participanten'). Alles om maar te voorkomen dat de lezer misschien mocht gaan denken dat er een levend iemand achter het verhaal zit. De onderwerpen en concepten waar we over schrijven zijn vaak complex, maar dat wil niet zeggen dat bijzonder taalgebruik vereist is om die concepten te beschrijven! Integendeel: de beste stukken zijn juist die die ingewikkelde concepten weten uit te leggen op een voor de geïnteresseerde leek inzichtelijke manier. Het boek Vallende Kwartjes, samengesteld door Ionica Smeets en Bas Haring, vormt een treffende verzameling van zulke 'oh zit dat zo'-teksten. Denken dat je je eigen woorden moet 'vertalen' in ingewikkelde en ambtelijke taal, daar wordt schrijven vanzelf lastiger van.
- Een derde oorzaak van mogelijke schrijfproblemen vormt het mechanisme dat wetenschappelijk schrijven juist zou moeten vergemakkelijken: de 'APA manual' en andere normen waaraan een tekst moet voldoen. APA is binnen de sociale wetenschappen de aangewezen methode om verwijzingen in een tekst en een literatuurlijst vorm te geven. Daarnaast staat de handleiding bol van regels over hoe een tekst eruit moet zien. De regels zelf zijn het probleem niet, maar de kans bestaat dat met name de wat zwakkere schrijver zich verliest in het woud van regeltjes, door de bomen het bos niet meer ziet, en niet toekomt aan het schrijven zelf. Een bijkomend gevolg is dat bij studenten die zich aan de regels houden het beeld kan ontstaan dat hun tekst daarom wel goed moét zijn. Over de zin en onzin van tekstuele normen zou ik nog veel meer kunnen zeggen, maar dat lijkt me geschikter voor een vervolgpost (als daar behoefte aan is).
- Wetenschappelijk schrijven is een apart genre. Het is schrijven op een toon die je je eigen moet zien te maken. Daarom is veel oefenen belangrijk. Een lijstje met twaalf misverstanden over schrijven dat de Rijksuniversiteit Groningen aanbiedt biedt daarbij een aardige handreiking. Tegelijkertijd constateer ik dat de nadruk in de universitaire opleiding vaak ligt op het schrijven van artikelen zoals die ook in wetenschappelijke tijdschriften worden geplaatst. Dat is tenslotte het communicatiemedium van de (sociale) wetenschappen. Toch kan die nadruk studenten vervreemden van bijvoorbeeld de rol die sociale media is gaan spelen in de wetenschapscommunicatie. De vraag is of je studenten kunt leren te schrijven via verschillende media met verschillende doelgroepen: van vakpublicatie tot blog post. Juist het informele aspect van sociale media kan ook de wat zwakkere schrijvers over de streep trekken; en als je over de streep bent kan de APA manual wel eens van de plank gehaald worden.
Eigenlijk is de verzameling korte adviezen die de Britse schrijver C.S. Lewis ooit gaf aan een fan nog het nuttigst: wees helder en concreet, en doe niet moeilijk. Het zijn universele regels die zich niet beperken tot studenten, en die misschien wel net zo relevant zijn voor schrijfvaardigheden als voor het leven zelf.
vrijdag 13 april 2012
Zeven argumenten voor een Steve-Jobsschool
![]() |
| Maurice de Hond presenteert 'Onderwijs voor een nieuwe tijd' |
| Tablets: ook geschikt voor baby's? |
1. Integratie
Of er nu sprake is van 'een nieuwe generatie' of niet (dat is tenslotte elke 25 jaar het geval): computers zijn een grote rol gaan spelen in het dagelijks leven, en kinderen van nu kennen niet anders. Juichverhalen over de vaardigheden van de 'digitale generatie' zijn meestal sterk overdreven. Integendeel: met de mediawijsheid of 'informatievaardigheden' is het soms droevig gesteld. Een steviger integratie van computers in het onderwijs is een manier om in alle vakgebieden de voordelen van media te benutten en om daarbij actief informatievaardigheden te oefenen. Wat is er mis mee om dit gegeven als didactisch uitgangspunt te nemen?
2. Het gebeurt al
![]() |
| Spelend leren, leren, of spelen? |
3. Ouders
Schooltijden zijn vaak nog gebaseerd op andere tijden. Er wordt op grote schaal al geëxperimenteerd met een verandering in het traditionele 'tussen de middag thuis'-model. Een logische volgende stap is om de flexibiliteit verder te vergroten, een gegeven dat de ipadschool als uitgangspunt neemt. Als ouders vrijer zijn in de breng- en haaltijden, dan zou hun betrokkenheid bij de school ook groter kunnen worden. En grotere betrokkenheid van ouders bij de school is juist een speerpunt in het huidige onderwijsbeleid, ook al is niet iedereen daarvan gecharmeerd.
4. Falen is toegestaan
![]() |
| Maria Montessori (1870-1952) |
Het aardige is dat succesvolle aspecten van onderwijsinnovaties langzaam maar zeker en met enige regelmaat doorsijpelen naar het reguliere onderwijs. Om maar een voorbeeld te noemen: de nadruk die in het Daltononderwijs wordt gelegd op samenwerking tussen leerlingen is binnen het reguliere onderwijs inmiddels volledig geaccepteerd. Conclusie: ook als het onderwijsconcept uiteindelijk zou falen wil dat niet zeggen dat succesvolle aspecten ervan (zoals de punten die ik hierboven noem) niet hun weg weten te vinden naar het reguliere onderwijs.
5. Geen gebrek aan visie
Het onderwijsconcept van O4NT wordt door sommigen 'gebrek aan visie' verweten. Ik zou het liever omdraaien: het concept barst bijna uit haar voegen van de verschillende visies. Met name als het om de inrichting van het dagelijks onderwijs gaat (geen aparte klaslokalen, focus op technologie) is de richting helder. Op zichzelf is het allemaal minder innovatief dan het lijkt (in Zweden wordt al geëxperimenteerd met klaslokaalloze scholen bijvoorbeeld), maar de combinatie van verschillende innovaties zou een heel interessante synthese kunnen vormen (hierin wijk ik niet af van de mening van de onderwijskundige Marieke van Osch). De uitwerking van al die visies laat nog te wensen over. De vraag is of dat ook vereist is. Maurice de Hond heeft ook hier duidelijk een achtergrond als zakelijk ondernemer. Hij gooit een steen in de vijver, gaat op zoek naar belangstellenden, en daarna volgt pas de praktische uitwerking (welke 'apps' zijn geschikt?). Verschillende scholen uit het hele land tonen inmiddels belangstelling, dus ik voorzie dat de school er ook echt komt, al is het maar als pilot binnen een enkele groep.
Ik wil tenslotte nog twee argumenten toevoegen, als korte speculaties.
6. De aaibaarheidsfactor
Een specifieke 'tool' centraal stellen in een onderwijsconcept, daar zit altijd een zwakte in. Maar toch, tablets hebben een voordeel die andere technologie ontbeert: de aaibaarheidsfactor. De Hond geeft specifiek hoog op van de iPad, en baseert zijn oordeel voornamelijk op anecdotisch bewijs (zijn dochter). Het zou het O4NT-team sieren als het zich minder zouden vastleggen op een specifiek tablet, alleen al omdat Apple met haar combinatie hardware/software een monopolist is. Het verstoort ook de discussie, die minder over de te kiezen hardware zou moeten gaan maar meer over wat er met de tablets in en rond de klas daadwerkelijk gedaan gaat worden.
7. De mannen keren terug
Tenslotte nog een speculatief argument. Op de basisschool zijn bijna geen mannen meer te vinden voor de klas. Of dat een echt probleem is is niet duidelijk, maar enigszins zorgelijk is het wel. Als technologie een veel grotere rol gaat spelen in het basisonderwijs, dan zullen ook pabo's hun onderwijs hierop moeten aanpassen. Zouden jongens daardoor misschien meer tot het onderwijzersvak worden aangetrokken?
Ik hoop hier een aantal redelijke argumenten voor de 'Steve Jobsschool' te hebben gegeven. Er wordt volop gediscussieerd, en gelukkig is gebleken dat de club van Maurice de Hond open staat voor adviezen uit 'het veld'. Het is aan de onderwijskundigen om het debat aan te gaan en in samenwerking te komen tot een zo sterk mogelijke uitwerking van onderwijs 'voor een nieuwe tijd'.
Een iPad is geen roze pil tegen leerproblemen
Op vrijdag 13 april verscheen een ingezonden stuk van Jeroen Janssen in Trouw (Podium, p. 17). Hieronder is de volledige weergegeven.
Het was bijna niet te missen. In diverse media en bij De Wereld Draait Door kwamen Maurice de Hond en Lodewijk Asscher aan het woord over een nieuw op te richten school. Deze school moet in 2013 van start gaan en zal de Steve Jobs School gaan heten. Zoals de naam doet vermoeden, zal technologie een belangrijke rol gaan spelen op deze school. Alle leerlingen krijgen daarom de beschikking over een iPad. De manier waarop De Hond en collega’s hun voor het voetlicht brachten, doet vermoeden dat het hier helaas gaat om een simplistische visie op onderwijs en technologie.Het zal niet als een verrassing komen dat het initiatief nogal wat stof deed opwaaien. Een deel van de kritiek op de iPadschool ligt voor de hand: Waarom de iPad? Het gaat niet om de technologie, maar om de didactiek! Investeer liever in leerkrachten dan in technologie! Enzovoorts. Grotendeels terechte opmerkingen.Ik zie echter een fundamenteler probleem bij de manier waarop De Hond en collega’s te werk gaan. Ik ben ervan overtuigd dat technologie, mits goed ingezet door een leerkracht, een meerwaarde kan hebben voor het onderwijs. Technologie is echter geen vrolijke, roze pil, die je inneemt en die al je problemen als sneeuw voor de zon doet verdwijnen. Maar dat is wel wat de oprichters van de iPadschool suggereren: geef elk kind een iPad, zet er wat leuke en educatieve apps op en ziedaar: gemotiveerde leerlingen die als vanzelf leren! Dat is een gevaarlijk simplistische opvatting van onderwijs. Voor onderwijsprestaties moet hard gewerkt worden. Door leerlingen én leerkrachten.Een simplistische visie op onderwijs bracht ons de afgelopen jaren al veel vernieuwingen die allemaal het onderwijs zouden verbeteren: smartboards, meervoudige intelligenties, laptopklassen, hart-brein leren, et cetera. Deze vernieuwingen werden uitgedragen door zelfverklaarde onderwijsgoeroes en trekken de aandacht van het onderwijsveld.Is het erg dat De Hond en collega’s een simplistisch idee uitdragen? Ja! Simplistische ideeën zijn vaak zeer aantrekkelijk. Wie wil er niet geloven in het idee dat kinderen met iPads beter gaan leren? De werkelijkheid zit echter complexer in elkaar. Het verspreiden van simplistische ideeën over onderwijs doet geen recht aan de kwaliteiten van leerkrachten en misleidt ouders, schoolleiders en politici. Ook in het onderwijs kan elke euro maar één keer uitgegeven worden en kan elk lesuur maar één keer gegeven worden. Wanneer tijd en geld gestoken wordt in vernieuwingen die zo simplistisch zijn dat ze wel moeten falen, gaat dat ten koste van aandacht voor zaken waarvan we weten dat ze wél bijdragen aan de kwaliteit van onderwijs.In 2013 gaat de Steve Jobs School van start. Nog tijd genoeg dus om te werken aan een minder simplistisch idee over het gebruik van technologie in het onderwijs. Ik hoop dat het ze lukt!Jeroen JanssenUniversitair Docent OnderwijskundeUniversiteit Utrecht
maandag 2 april 2012
De zin en onzin van schoolreisjes
Een busongeval in Zwitserland van enige tijd geleden eiste 28 levens. Het ging om kinderen en hun leerkrachten die terugkwamen van een schoolreisje. In België is het niet ongebruikelijk dat de hele klas een week op wintersport gaat, lazen we later. Dat leidde in Nederland tot reacties als "Waar is dat nou weer voor nodig?" Onvermijdelijk is ook dat in de nasleep van het drama niet elke ouder zijn kind zomaar meer meestuurt op schoolreis.
De discussie riep bij mij een aantal vragen op. Wat is het doel van schoolreisjes? Zijn ouders officieel verplicht om hun kinderen met een schoolreisje mee te laten gaan? Hoe lang bestaan schoolreisjes eigenlijk al? En is daar wel eens onderzoek naar gedaan? Oftewel: welk licht kan de onderwijskunde hierover doen schijnen?
Een speurtocht in de bibliotheek leerde mij dat er eigenlijk geen onderzoek naar het fenomeen schoolreisjes bestaat. Er is wel wat Amerikaans onderzoek te vinden naar zogenaamde 'field trips' (excursies, uitstapjes naar musea, tentoonstellingen, fabrieken) maar niets over 'fun'-schoolreisjes naar speeltuinen en pretparken en dergelijke. Dat is opmerkelijk en een mooie opening voor onderwijskundig (en vrijetijdskundig) onderzoek. Voor deze bijdrage heb ik me dan ook maar voornamelijk gewend tot het overzicht van Nederlandse kranten en tijdschriften. Het overzicht van alle krantenberichten over schoolreisjes leverde een interessante geschiedenis op die vooral wordt gekenmerkt door discussies over de kosten ervan en door schoolreisjes die 'eindigden in een drama'.
De geschiedenis van schoolreizen is feitelijk onbekend: het Nationale Onderwijsmuseum dateert de oorsprong van klassenuitstapjes naar de 'naar buiten'-cultuur die eind negentiende eeuw door onderwijsvernieuwers als Jan Ligthart werd gepropageerd. Dat idee is, zoals veel onderwijshervormingen, te herleiden tot Rousseau's 'terug naar de natuur'-benadering van leren. Zeker is het allemaal niet. Wel duidelijk is dat het doel van uitstapjes met de klas rond de jaren 50 van de vorige eeuw was om:
Tegenwoordig is het argument voor schoolreisjes geworden dat het goed is voor het sociale gevoel, en het fijn is om ook eens wat anders te doen buiten de school. De vraag is natuurlijk of dat een taak van de school is. Inmiddels
zijn schoolreisjes in ieder geval big business. Vervoerders en bekende en minder
bekende attractieparken halen er een flink deel van hun omzet vandaan,
tot wel 30 procent. Na incidenten, en op momenten dat scholen wel erg dure trips plannen (zoals een meerdaagse stedentrip) komt de discussie op gang. Uit mijn analyse kwam naar voren dat dit ongeveer eens in de vier jaar gebeurt. Dat komt omdat er een natuurlijke golfbeweging lijkt te zitten onder de opzet van het schoolreisje: van 'basic' naar heel duur en weer terug. Opmerkelijk
is dat het nooit de scholen zelf maar altijd ouders zijn die steen en
been klagen over de kosten, en die ook het nut van (in hun ogen veel te
dure) uitstapjes aan de kaak stellen. Een oproep van de Telegraaf in
2004 leidde tot veel reacties. Toen al fulmineerde een gefrustreerde
ouder: "De economische teruggang lijkt niet geheel te zijn doorgedrongen
in de hoofden van bepaalde leerkrachten". Eerder al, in 2002,
bleek dat het vaak juist de kinderen uit arme gezinnen waren die niet
mee mochten op schoolreisje: hun ouders konden of wilden de vrijwillige
ouderbijdrage niet betalen. Al snel werd onder druk van de Vereniging
Openbaar Onderwijs een code opgesteld om duidelijk te maken dat een
vrijwillige bijdrage ook echt vrijwillig is en niet tot uitsluiting mag
leiden.De leerplichtwet doet hier inmiddels ook een uitspraak over: een schoolreisje waarvoor je als ouder financieel moet bijdragen kan nooit verplicht zijn. En zodra een schoolreisje educatief is dan mag de school deelname wel verplichten, maar er geen bijdrage voor vragen!
Wat leren we van dit alles? De educatieve basis onder veel schoolreisjes lijkt tegenwoordig van ondergeschikt belang. Dat wisselt met het economisch tij: zodra het wat minder gaat worden schoolreisjes eenvoudiger en educatiever. Schoolreisjes dienen niet direct nut maar aan de andere kant: alle partijen zien het belang ervan in om ook eens wat anders te doen met de schoolklas. Tenslotte: de kinderen zelf kunnen er weken of zelfs maanden naartoe leven. De gevallen dat er iets misgaat, zelfs als de verantwoordelijke leerkracht is vergeten de bus te reserveren waardoor het schoolreisje op het allerlaatste moment in het water valt, halen dan ook niet voor niets de krant.
De discussie riep bij mij een aantal vragen op. Wat is het doel van schoolreisjes? Zijn ouders officieel verplicht om hun kinderen met een schoolreisje mee te laten gaan? Hoe lang bestaan schoolreisjes eigenlijk al? En is daar wel eens onderzoek naar gedaan? Oftewel: welk licht kan de onderwijskunde hierover doen schijnen?
Een speurtocht in de bibliotheek leerde mij dat er eigenlijk geen onderzoek naar het fenomeen schoolreisjes bestaat. Er is wel wat Amerikaans onderzoek te vinden naar zogenaamde 'field trips' (excursies, uitstapjes naar musea, tentoonstellingen, fabrieken) maar niets over 'fun'-schoolreisjes naar speeltuinen en pretparken en dergelijke. Dat is opmerkelijk en een mooie opening voor onderwijskundig (en vrijetijdskundig) onderzoek. Voor deze bijdrage heb ik me dan ook maar voornamelijk gewend tot het overzicht van Nederlandse kranten en tijdschriften. Het overzicht van alle krantenberichten over schoolreisjes leverde een interessante geschiedenis op die vooral wordt gekenmerkt door discussies over de kosten ervan en door schoolreisjes die 'eindigden in een drama'.
De geschiedenis van schoolreizen is feitelijk onbekend: het Nationale Onderwijsmuseum dateert de oorsprong van klassenuitstapjes naar de 'naar buiten'-cultuur die eind negentiende eeuw door onderwijsvernieuwers als Jan Ligthart werd gepropageerd. Dat idee is, zoals veel onderwijshervormingen, te herleiden tot Rousseau's 'terug naar de natuur'-benadering van leren. Zeker is het allemaal niet. Wel duidelijk is dat het doel van uitstapjes met de klas rond de jaren 50 van de vorige eeuw was om:
- Stadskinderen met de natuur in aanraking te brengen. Dat doet me denken aan mijn vader die opgroeide in Amsterdam en lange tijd niet meer wist dan dat groenten en fruit bij de groentenman vandaan kwamen.
- Kinderen uit arme gezinnen de kans te geven om ook een uitstapje te maken naar plekken waar het gezin normaal niet genoeg geld voor had.
Tegenwoordig is het argument voor schoolreisjes geworden dat het goed is voor het sociale gevoel, en het fijn is om ook eens wat anders te doen buiten de school. De vraag is natuurlijk of dat een taak van de school is. Inmiddels
zijn schoolreisjes in ieder geval big business. Vervoerders en bekende en minder
bekende attractieparken halen er een flink deel van hun omzet vandaan,
tot wel 30 procent. Na incidenten, en op momenten dat scholen wel erg dure trips plannen (zoals een meerdaagse stedentrip) komt de discussie op gang. Uit mijn analyse kwam naar voren dat dit ongeveer eens in de vier jaar gebeurt. Dat komt omdat er een natuurlijke golfbeweging lijkt te zitten onder de opzet van het schoolreisje: van 'basic' naar heel duur en weer terug. Opmerkelijk
is dat het nooit de scholen zelf maar altijd ouders zijn die steen en
been klagen over de kosten, en die ook het nut van (in hun ogen veel te
dure) uitstapjes aan de kaak stellen. Een oproep van de Telegraaf in
2004 leidde tot veel reacties. Toen al fulmineerde een gefrustreerde
ouder: "De economische teruggang lijkt niet geheel te zijn doorgedrongen
in de hoofden van bepaalde leerkrachten". Eerder al, in 2002,
bleek dat het vaak juist de kinderen uit arme gezinnen waren die niet
mee mochten op schoolreisje: hun ouders konden of wilden de vrijwillige
ouderbijdrage niet betalen. Al snel werd onder druk van de Vereniging
Openbaar Onderwijs een code opgesteld om duidelijk te maken dat een
vrijwillige bijdrage ook echt vrijwillig is en niet tot uitsluiting mag
leiden.De leerplichtwet doet hier inmiddels ook een uitspraak over: een schoolreisje waarvoor je als ouder financieel moet bijdragen kan nooit verplicht zijn. En zodra een schoolreisje educatief is dan mag de school deelname wel verplichten, maar er geen bijdrage voor vragen!Wat leren we van dit alles? De educatieve basis onder veel schoolreisjes lijkt tegenwoordig van ondergeschikt belang. Dat wisselt met het economisch tij: zodra het wat minder gaat worden schoolreisjes eenvoudiger en educatiever. Schoolreisjes dienen niet direct nut maar aan de andere kant: alle partijen zien het belang ervan in om ook eens wat anders te doen met de schoolklas. Tenslotte: de kinderen zelf kunnen er weken of zelfs maanden naartoe leven. De gevallen dat er iets misgaat, zelfs als de verantwoordelijke leerkracht is vergeten de bus te reserveren waardoor het schoolreisje op het allerlaatste moment in het water valt, halen dan ook niet voor niets de krant.
Abonneren op:
Posts (Atom)




