donderdag 18 oktober 2012

Handouts beschikbaar maken voor het college?

Onlangs kregen Casper en ik van @julietteh1105 de vraag: "Wat vinden jullie: Om actieve studenten te krijgen, moeten lerarenopleidingen wel of niet de ppt's beschikbaar stellen?". Oftewel: Is het zinvol om studenten de sheets van het college te geven of zit hier misschien een nadeel aan?

Casper antwoordde al dat bij "ons" het gebruikelijk is dat sheets van het college vooraf beschikbaar worden gemaakt voor de studenten. We zetten meestal een studentversie (een versie waarin 'verrassingen' zoals opdrachten, etc. zijn weggelaten) van de sheets op BlackBoard. Studenten nemen de sheets dan mee en gebruiken deze om aantekeningen bij te maken. Over het algemeen wordt deze service gewaardeerd. Zozeer zelfs dat je als docent erop aangesproken wordt als je het eens vergeet of er wat laat mee bent...

Het nadeel dat doorklinkt in de vraag van Juliette is dat studenten mogelijk passief worden van het beschikken over de sheet. Wat wordt er dan met "passief" bedoeld? Misschien dat studenten wel bij het college aanwezig zijn, maar niet echt actief meeluisteren en denken omdat de strekking van het college op de sheets staat?

Ik vraag me af of dat het geval is. Over het algemeen zijn de sheets die ik maak, en ook de sheets die de meeste van mijn collega's maken, niet voldoende om het hele verhaal van het college te begrijpen. De collegesheets bevatten de kernpunten uit het college, waar je als docent het 'verhaal' omheen vertelt. De sheets ondersteunen dit verhaal. Vandaar dat ik denk dat je er als student niet bij gebaat bent om lekker naar het college te komen, tijdens het college je Facebook bij te werken, en vervolgens bij het voorbereiden van het tentamen alleen maar de sheets erbij te pakken in de hoop dat je je  dan het belangrijkste van het college wel herinnert. Lijkt me dat dat niet werkt. Vandaar dat ik onze studenten dan ook in grote getale aantekeningen zie maken bij de collegesheets.

In de jaren '80 en '90 is er redelijk wat onderzoek gedaan naar hoe studenten aantekeningen maken tijdens colleges. Van deze onderzoeken is te leren dat aantekeningen maken alleen niet voldoende is om goed te presteren op een tentamen. Je moet die aantekeningen ook opnieuw bekijken en niet alleen vlak voor het tentamen. In een meta-analyse van Kobayashi uit 2006 kwam ik nog iets tegen dat interessant is voor de vraag die Juliette stelde. Uit de meta-analyse van Kobayashi blijkt wederom dat de combinatie van aantekeningen maken en opnieuw bestuderen (reviewing) leerzamer is dan alleen aantekeningen maken of geen aantekeningen maken. Daarnaast blijkt uit deze meta-analyse dat de effectiviteit van het maken van aantekeningen tijdens het college verhoogd wordt wanneer studenten de beschikking hebben over zogenaamde 'outline notes'. Dat zijn aantekeningen of aanwijzingen die een raamwerk of houvast bieden aan de studenten. En dat is nou precies de functie die handouts kunnen hebben. Ze geven studenten een houvast bij het maken van hun aantekeningen. Hun aantekeningen worden hierdoor meer gestructureerd en adequaat. Hierdoor leren studenten meer van het college. Dit blijkt bijvoorbeeld effectiever te zijn dan studenten te trainen in het maken van goede aantekeningen.

Studenten handouts geven bij het college? Ja, dat kan zeker nuttig zijn!

Kobayashi, K. (2006). Combined Effects of Note-Taking/Reviewing on Learning and the
Enhancement through Interventions: A meta-analytic review. Educational Psychology. 26, 459–477.

woensdag 10 oktober 2012

Zijn kinderen kleine wetenschappers? Ja!

Alison Gopnik
Zijn kinderen een soort wetenschappers in het klein? De beroemde Jean Piaget dacht van wel. Een bekende uitspraak van hem is:
"When you teach a child something you take away forever his chance of discovering it for himself."
Maar... Piaget sprak daarbij over oudere kinderen, niet over kinderen van een jaar of twee oud, van wie hij het denken 'onlogisch en pre-wetenschappelijk' noemde. Ons huidige onderwijs is sterk beïnvloed door deze ideeën, terwijl we inmiddels weten dat ze onjuist zijn. Dat is in ieder geval het punt dat Alison Gopnik wil maken in de opening van een prachtig overzichtsartikel dat zij heeft gepubliceerd in het befaamde tijdschrift Science (klik voor de abstract). Gopnik is hoogleraar psychologie aan de University of Berkeley (in Californië). Zij doet al langer onderzoek naar (onder andere) het redeneervermogen van jonge kinderen. In dit artikel bespreekt zij de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van onderzoek naar wetenschappelijk denken door jonge kinderen. Haar bevindingen zijn interessant, verrassend, en spraakmakend. Ze lijken ook gevolgen te hebben voor de beeldvorming over de manier waarop het onderwijs aan jonge kinderen het best kan worden ingericht.

Gopnik beschrijft hoe in de periode 1980-2000 werd ontdekt dat ook heel jonge kinderen de wereld om hen heen mentaal representeren, en dat hun representaties abstract en causaal zijn. Het lijkt alsof jonge kinderen al intuïtieve theorieën bezitten over psychologie en biologie. De vraag is of deze representaties en de manier waarop kinderen ermee omgaan ook echt te vergelijken zijn met wetenschappelijk redeneren (met name inductie, het afleiden van nieuwe informatie uit dat wat je al weet). Gopnik betoogt dat onderzoek dat de afgelopen jaren is uitgevoerd laat zien dat dit inderdaad het geval is. Ze illustreert dit met een aantal voorbeelden, waarvan ik een laat zien die ik het heel treffend vind (en waar ook een mooi plaatje bij hoort). Het gaat om onderzoek dat is beschreven door Xu en Garcia in 2008 in PNAS (klik om dat artikel te openen in PDF). Een jong kind (zelfs acht maanden oud kwam in het onderzoek voor) ziet hoe een experimentator een aantal balletjes uit een dichte doos trekt. Als de meeste getrokken balletjes rood zijn, en bij opening van de doos blijkt dat die vooral gevuld is met witte balletjes, dan kijken de kinderen daar langer naar dan wanneer de doos gevuld voornamelijk is met rode balletjes (we weten dat kinderen langer kijken naar gebeurtenissen die onverwacht zijn). Het experiment is zo in elkaar gezet dat het niet onmogelijk is dat er alleen rode ballen zijn getrokken uit de doos, het is alleen heel onwaarschijnlijk. Kinderen, zelfs zo jong als acht maanden oud, blijken in staat de waarschijnlijkheid van een steekproef te evalueren in het licht van de populatie! Ter verduidelijking illustreert het plaatje hieronder de experimentele procedure nog eens. De rechterkolom bevat de procedure waarbij de steekproef 'klopt', de linkerkolom die waarbij de steekproef heel onwaarschijnlijk is.

Het pingpongballenexperiment

Hoe kan het dat kinderen dit kunnen? De sleutel voor een verklaring van dit soort bevindingen ligt volgens Gopnik in een proces dat 'Bayesiaanse inferentie' heet. Het komt erop neer dat je, in het licht van nieuwe gegevens de waarschijnlijkheid van een hypothese kunt berekenen. Het enige dat je daarvoor nodig hebt is kennis over de kans dat die hypothese in het algemeen voorkomt, en een algemeen idee over de waarschijnlijkheid dat die nieuwe gegevens zullen voorkomen. Ingewikkelde materie, waar ook vrij ingewikkelde formules bij horen, maar kleine kinderen beheersen het. Sterker nog: kinderen die spelen zijn eigenlijk aan het experimenteren. Door te spelen ontdekken kinderen hoe de wereld in elkaar zit, en onderzoek laat zien dat kinderen heel systematisch te werk gaan. Als wetenschappers, dus.
Gopnik vindt dat het onderwijs van al deze nieuwe bevindingen iets kan leren. In het kleuteronderwijs is spelen essentieel, en elke goede juf van groep 1 en 2 voelt dat intuïtief al van oudsher al aan. Het bij beleidsmakers levende streven om kleuteronderwijs meer gestructureerd, systematisch, 'academischer', en 'opbrengstgericht' te maken gaat uit van een verkeerd idee over de manier waarop kinderen functioneren. Goed onderwijs stimuleert de natuurlijke nieuwsgierigheid, onderzoeksgerichtheid, en creativiteit van kinderen.

Literatuur
Gopnik, A. (2012). Scientific thinking in young children: Theoretical advances, empirical 
     research, and policy implications. Science, 337, 1623-1626.
Xu, F. & Garcia, V. (2008) Intuitive statistics by 8-month-old infants. Proceedings of the National 
     Academy of Sciences of the United States of America, 105, 5012-5015.

donderdag 4 oktober 2012

Examens en selectie


In deze blogbijdrage stel ik een vraag aan de lezer, voortkomend uit een tweetal recente mediauitingen over examinering en selectie Nederland.

1. Universiteiten gaan meer selecteren aan de poort
Het werd afgelopen week breed uitgemeten in de krant: Utrecht stelt vooraf bij studenten hun geschiktheid voor de studie vast. Zelf schrijft de universiteit hierover: "We willen met matching bereiken dat studenten bewuster kiezen voor een opleiding, beter nadenken of een opleiding wel of niet bij hen past. Daarmee willen we al voor de poort zorgen voor meer binding tussen student en opleiding om de uitval in het eerste jaar tegen te gaan en het studiesucces te verbeteren. Matching is een traject van vier samenhangende onderdelen, dat begint bij de voorlichting, een intakeformulier, een matchingsactiviteit tot en met goede begeleiding in het eerste jaar en het bindend studieadvies."

2. PABO’s hanteren (o.a.) een verplichte rekentoets voor hun eerstejaars studenten
De Katholieke PABO Zwolle twitterde op 20 september het volgende:
"Studenten Vt en Dt behalen goede resultaten bij Entreetoets Taal Respectievelijk 69% en 77% behaalt het bij het eerste aanbod! #proficiat"

Theo Wubbels reageerde hierop: " "Goede resultaten Entreetoets Taal Respectievelijk 69% en 77% haalt het". Zolang we dit goed noemen gaat het niet goed met pabo." en in een tweede reactie: "ik vind dat de pabo dit percentage geen goed resultaat moet noemen. Havo schiet tekort. Afnemen toets is prima"

Casper Hulshof was van mening: "Ik vind eigenlijk dat in principe iedere havo'er zo'n entreetoets moet kunnen halen. Anders klopt er toch iets niet?"

Mijn mening: Als je havo-examen hebt gedaan en je zakt voor een taaltoets die basiskwaliteit meet, is er in elk geval sprake van een vreemde situatie. De school is blij dat zo'n 70% slaagt. Dat zijn hopelijk niet allemaal havo gediplomeerde PABO studenten.

De vraag die mij bezig houdt is: waar is Nederland nu het best mee gediend? We willen allemaal graag competente professionals in ons land. We hebben ze keihard nodig, niet alleen in ons onderwijs, als hypotheekadviseur of bakker, maar zeker ook in de zoektocht naar innovatie van onze economie.
Wat geeft een betere garantie op de kwaliteit aan expertise die wij daarvoor nodig hebben?

Moet een einddiploma (havo, vwo, of vmbo) de garantie geven dat geslaagde leerlingen ook voldoende zijn voorbereid op een aantal uitputtend beschreven vervolgstappen? Of is selectie aan de poort, misschien zelfs een toelatingsexamen een beter idee?

Wat vinden jullie?

maandag 3 september 2012

Standard-based national testing: zegen of vloek?

Op 31 aug 2012 werd de Earli Sig Assessment & Evaluatie afgesloten met een internationaal debat over standard-based national testing. Zes landen werden gerepresenteerd door experts in assessment en evaluatie: Nieuw Zeeland (Gavin Brown), de Verenigde Staten (Jim Pelligrino), Zweden (Anders Jönsson), België, Vlaanderen (Nadine Engels), Duitsland (Jan-Willem Strijbos), en Nederland (Marieke van der Schaaf). De discussie werd geleid door Frans Prins.
Elke representant presenteerde kort het systeem van national standard-based testing in zijn of haar land en de consequenties daarvan. De landen zijn te positioneren op een continuüm van (te) veel naar geen national standard-based testing.
In de USA is onder invloed van Bush' ‘No Child left Behind Act’ de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in nationaal testen. Ondanks de verschillende beleidsvoeringen per staat is in het algemeen te stellen dat er een  grote nadruk ligt op gestandaardiseerd toetsen. De resultaten van de vele toetsen die leerlingen verplicht ondergaan zijn voornamelijk voor administratieve doeleinden van belang, bijvoorbeeld om op geaggregeerd niveau de kwaliteit van onderwijs te kunnen vaststellen. Ook in Duitsland is er een sterk regime van national standard-based testing, al zijn de resultaten daarvan niet af te lezen aan de relatieve zwakke Pisa ranking. Dit heeft een negatieve invloed op leerlingen die angstig zijn om tussentijdse concepten van hun werk aan te leveren bij docenten voor feedback, een fenomeen dat Strijbos in de praktijk ondervindt.
Jönsson legde uit dat in het aanvankelijk liberale Zweden nu een opmars van standard-based testing gaande is. De situatie in Nederland is vooralsnog iets milder en te bestempelen als een midden tussen verplichte standard-based toetsing (bijvoorbeeld Cito eindexamens in het VO) en het gebruik van toetsing voor formatieve doeleinden. Een voorbeeld is de Citotoets in groep 8 die vooralsnog niet verplicht is (en dat voorlopig ook niet zal worden) en die op ongeveer 85% van onze scholen wordt afgenomen. De advisering voor het niveau van middelbaar onderwijs van leerlingen is voornamelijk gebaseerd op het advies van het leerkrachtenteam van de basisschool.
In België en Nieuw Zeeland heeft men geen systeem voor national standard-based testing.  In Nieuw Zeeland bestaat een groot aanbod van geschikte tests voor scholen en docenten waaruit men een keuze kan maken. Vervolgens is het aan de school om verantwoording af te leggen over de kwaliteit van toetsing. Kortom, een faciliterend beleid met een verantwoording bij de scholen en docenten.
Vervolgens kruisten de experts en het publiek de degens onder leiding van Frans Prins. De voors- en tegens van de diverse systemen werden belicht. Uiteraard was daarin veel aandacht voor het onwenselijke fenomeen van teaching to the test dat het curriculum op scholen vernauwt. Ook werd afbreuk van zelfvertrouwen van leerlingen als mogelijk schadelijk gevolg van het vele testen gezien. In landen waar een middenpositie ten aanzien van standardbased testing wordt ingenomen, zoals Nederland, blijft de consequentiele validiteit vaak in gebreken, hetgeen inhoudt dat de toetsresultaten dikwijls voor andere doeleinden worden gebruikt dan aanvankelijk beoogt. Een voorbeeld is het hangen van een zwaar gewicht aan resultaten van de kleutertoets die veel scholen ter monitoring van hun leerlingen in Nederland wordt afgenomen. Basisscholen en leerkrachten gaan daar verschillend mee om.
Moeten we af van standard-based testing? Nee, want ondanks de tekortkomingen zullen we ook de meerwaarde van standard-based testing moeten erkennen, aldus een meerderheid van de panelleden. De toetsen kunnen een aanvulling zijn op toetsen die door docenten en de school worden ontwikkeld en afgenomen. Dat is een pre, want we weten allemaal dat beoordelingen van docenten ook de nodige bias bevat. Vanwege standaardisatie maakt standard-based testing op nationaal niveau een voorzichtige vergelijkingsbasis mogelijk binnen en tussen landen, mits we daar maar geen onjuiste consequenties aan verbinden.

Wat we leren uit het debat:
De visie van de experts in de zaal en van het panel komt erop neer dat het van belang is te streven naar een gebalanceerd systeem, waarin standaard-based testing in minimale mate zou kunnen functioneren ter aanvulling op schoolexamens of toetsen zoals gekozen door scholen en docenten. Bij voorkeur bestaat er een groot en degelijk aanbod van tests waar scholen en docenten uit kunnen putten om hun toetsbeleid mee vorm te geven en waarover ze verantwoording kunnen afleggen aan de onderwijsinspectie. Dit komt behoorlijk in de buurt van ons huidigeNederlandse systeem.
Advies van de Europese toets- en assessmentdeskundigen aan de opvolg(st)er van Marja en Halbe: stop verdere invoering van standard-based testing, maak de Citotoets in groep 8 niet verplicht!



zondag 2 september 2012

Joseph Kessels over assessment en evaluatie

Op 29 augustus vond een zogenaamde EARLI 'SIG-meeting' (SIG staat voor 'special interest group') over toetsing plaats. De EARLI (European Association for Research on Learning and Instruction) is het Europese overlegorgaan tussen  onderwijskundigen, zoals de VOR (Vereniging voor onderwijsresearch) dat is voor Nederland. Bij de gelegenheid op 29 augustus sprak professor Joseph Kessels, hoogleraar human resource development aan de Universiteit Twente. Marieke van der Schaaf heeft zijn rede over assessment en evaluatie samengevat.

Kessels behandelt het thema ‘assessment’ vanuit het perspectief van levenslang leren en ontwikkeling van (toekomstige) hoger en lager opgeleide beroepsbeoefenaren. Helaas draagt assessment, in summatief en formatief opzicht (bv. feedback), in veel gevallen niet bij aan levenslang leren in onderwijs en organisaties. Dikwijls is het principe van ‘step up or step out’ aan de orde, hetgeen inhoudt dat enkel in ‘top performers’ in een organisatie wordt geïnvesteerd. De keerzijde van dit ‘rankingsproces’ is dat het verliezers creeërt. “Every golden medal stands for many losers”. Kessels stelt de mogelijke perversie waartoe dit leidt aan de orde. Daarin verwijst hij kritisch naar het academische systeem van publicatiedruk en het organiseren van een ratrace door onhoudbare standaarden en rankingsystemen. Op geaggregeerd niveau geldt dat ook voor curricula in het onderwijs; om als school tot een goede ranking te komen worden curricula dikwijls ‘uitgekleed’met een accent op basisvakken (‘back to basics’) en doet zich vaak teaching to the test voor. What makes professionals shine? Kessels benoemt het belang van intrinsieke motivatie voor de inhoud van een vakgebied voor levenslang leren. Levenslang leren betekent ‘levenslang’ voor menigeen. De plan-do-check-act cyclus (Deming) kan worden ingezet voor performance feedback om assessment for learning te stimuleren, in ogenschouw genomen dat feedback niet automatisch leidt tot performance improvement.

Kessels beschijft veel gebruikte ingredienten voor competency based assessment, gebaseerd op ‘gap analysis’:

  • Ontwikkelen van een competentie profiel, d.w.z. relevante kerntaken in een werkomgeving onderscheiden.
  • Analyse van de ‘Competentie gap’ – over welke competenties beschikt de student/werknemer nog niet?
  • Overbruggen van de competentie gap door middel van training en ontwikkeling
  • Het beoordelen van de resultaten – ‘bewijs’ van iemands competenties in een realistische context.
Keerzijde van deze benadering is dat het gericht is op wat er ontbreekt en niet op talenten van personen (negatief uitgangspunt). Als alternatief stelt Kessels een ‘appreciate approach’ voor, bestaande uit de ‘romantische’ stappen: 1) discovery: appreciate what is; 2) dreaming: imagine what might be; 3) design: determine what the ideal should be; 4) destiny: create what will be. Self-determination theory (Ryan & Deci) kan als onderbouwing bij deze benadering worden gezien.

Wat leren we hiervan?

Mensen/kinderen verschillen van elkaar. Een one-size-fits all system in assessment, werkt niet. Van belang om assessment FOR learning voor ogen te houden, investeren in talent in plaats van selectie en exclusie door assessment. Persoonlijke ontwikkeling gaat samen met emancipatie.

donderdag 30 augustus 2012

Leren terwijl je slaapt: kan dat?


Het is de droom van menig leerling: zonder inspanning leerstof tot je nemen terwijl je aan het slapen bent. Als je 's morgens wakker wordt weet je: ik ben klaar om het proefwerk te maken. Rond dit 'slaapleren' (de officiële term is 'hypnopedie') is een hele industrie ontstaan. Neem bijvoorbeeld sleeplearning.com, een bedrijf dat ons aanspoort de 'full potential of our brain' te gaan gebruiken, en dat voor een flinke prijs CD's aanbiedt die ons onder andere moeten helpen bij het leren van een nieuwe taal, het verbeteren van ons geheugen, en het verhogen van ons zelfvertrouwen. Zoals te verwachten wordt als mechanisme verondersteld dat het leren via onbewuste beïnvloeding gaat. Maar er is een probleem met slaapleren: het werkt niet. Dat wil zeggen: er is tot nu toe nooit door middel van wetenschappelijk onderzoek ondersteuning gevonden voor het idee dat mensen iets nieuws kunnen leren tijdens hun slaap. Dat lijkt op zich prima te begrijpen: blijkbaar hebben mensen die slapen wel iets anders aan hun hoofd dan te luisteren naar hun omgeving. Toch is het niet zo dat je tijdens je slaap helemaal bent afgesloten van die omgeving. Bij een harde knal ergens in je omgeving schiet je wakker. Sterker: het blijkt dat in de hersenen andere gebieden actief worden als omgevingsstimuli betekenisvol zijn. Ook tijdens je slaap reageren de hersenen dus anders op je naam dan op andere geluiden. Desondanks leiden stimuli van buitenaf niet tot effecten die ook te meten zijn als je weer wakker bent. Dat geldt in ieder geval voor zogenaamd 'hogere orde'-leren (bijvoorbeeld het leren van woorden in een vreemde taal). De vraag is nu: geldt het ook voor lagere orde-leren? Het bekendste voorbeeld van lagere-orde leren is klassiek conditioneren (ook wel het Pavlov-effect genaamd: de hond die gaat kwijlen zodra hij een worst ziet). De vraag is dus: kun je iemand conditioneren in zijn slaap, met als gevolg dat het effect er nog is als diegene weer wakker is? Voor onderzoekers komt daar nog een vraag bij: hoe moet je een onderzoek naar conditioneren tijdens slapen uitvoeren? De sleutel daarvoor blijkt te liggen bij de neus: net als geluiden verwerken de hersenen ook geuren terwijl we slapen. Bijkomend voordeel van geur is dat je van sommige geuren niet wakker wordt (zolang de vijfde zenuw niet geprikkeld wordt), maar dat je lichaam wel reageert op geuren: door te snuiven. In het onderzoek dat ik hier bespreek (zie de verwijzing onderaan) werd hiervan handig gebruikgemaakt. In dit geval gebruikten de onderzoekers, terwijl hun 28 proefpersonen aan het slapen waren, een specifieke conditioneertechniek die 'differential partial-reinforcement trace conditioning' heet. Die procedure betekent:
  1. Differential - Er werden twee verschillende stimuli gebruikt: een toon van 400 Herz en een toon van 1200 Herz. Als iemand wakker werd van het geluid deed diegene niet meer mee in het experiment (wat gelukkig niet zo vaak voorkwam).
  2. Partial-reinforcement - De twee tonen (de neutrale stimuli) werden op sommige trials (dus niet elke keer) gekoppeld aan een geur. De toon van 400 Herz werd geassocieerd met een prettige geur, de toon van 1200 Herz met een vervelende geur.
  3. Trace conditioning - Tussen de toon en de geur zat een pauze van een paar seconden. Die manier van conditioneren wordt 'trace conditioning' genoemd.
NB: Voor meer uitleg over klassiek conditioneren: ik heb eerder een ShowMe gemaakt (een korte videopresentatie) waarin ik dit concept, en het verschil tussen CS, UCS, UCR enzovoort uitleg.

Voor zo'n eenvoudige onderzoeksvraag is de in het artikel beschreven experimentele procedure uiterst omslachtig en ingewikkeld. Dat is wel meteen de kracht van dit specifieke onderzoek. Als er een effect van het conditioneren wordt gemeten dan weet je in ieder geval vrij zeker dat dat effect is toe te schrijven aan het conditioneren en niet aan een zogenaamd 'onderzoeksartefact' (een procedurele fout in het experiment).
Om te kijken of het conditioneren effect had werd het zogenaamde 'snuifvolume' gemeten. Dat werd gemeten bij de ontwaakte proefpersonen na het laten klinken van de tonen van 400 en 1200 Herz. Als dat inmiddels 'geconditioneerde stimuli' zouden zijn dan zou er een relevante snuifrespons moeten volgen: meer bij de toon die met een plezierige geur was geassocieerd, minder bij de toon die met een vervelende geur was geassocieerd. In het diagram hierboven zie je figuur 3d en 3e uit het artikel. Links zie je twee staafjes van de experimentele groep (de slapers) die in hun slaap geconditioneerd waren, rechts twee staafjes van een controlegroep met wie niets was gebeurd. Het verschil is duidelijk (en statistisch significant): de groep die tijdens het slapen geconditioneerd was reageerde wakker anders op de toon dan de groep die niet geconditioneerd was. Met name voor de vervelende geur is het effect duidelijk zichtbaar. Leren tijdens het slapen is dus mogelijk! Twee bijkomende bevindingen zijn: 1) de proefpersonen hadden geen idee na afloop wat er tijdens hun slaap was gebeurd, ze wisten niets van tonen en geuren; 2) een beperkt vervolgexperiment toonde dat het leereffect alleen optrad als er geleerd werd buiten de REM-slaap om. De betekenis daarvan is nog onbekend.

Wat leren we van deze resultaten? Ten eerste is het voor verder onderzoek fijn dat geur goed werkt in dit type experimenten. Het conditioneren gebeurde relatief snel, en van de aanwezigheid van bepaalde geuren wordt niemand wakker. Daarnaast is de snuifrespons een mooie manier om op een objectieve manier een leereffect te meten. Ten tweede impliceren de resultaten dat leren tijdens de slaap echt mogelijk is. Therapieën tegen fobieën gaan soms uit van klassiek conditioneren. Zou het niet mooi zijn als de therapie tijdens het slapen kon worden voortgezet? Er is nog veel ruimte voor verder onderzoek om te bekijken waar de grenzen liggen van wat mogelijk is, maar met deze experimentele procedure is de toon in ieder geval gezet. Welterusten!

Arzi, A., Shedlesky, L., Ben-Shaul, M., Oksenberg, A., Hairston, I.S., and Sobel, N. (2012). Humans can learn new information during sleep. Nature Neuroscience. doi:10.1038/nn.3193

woensdag 22 augustus 2012

Aankondiging symposium "Teacher expertise" 11 oktober 2012

Op 11 oktober organiseert de afdeling Educatie aan de Universiteit Utrecht een symposium over het onderwerp 'Docent expertise' en de ontwikkeling hiervan. Het symposium vindt plaats op de Uithof in het Wentgebouw. U bent van harte welkom op dit symposium. Naast keynote speaker Professor Anders Ericsson, expert op het gebied van expertise, zullen presentaties worden gegeven door verschillende onderwijskundigen. Er is ruimte voor een plenaire discussie en posterpresentaties. Klik op het plaatje hieronder voor de aankondiging in PDF, daarop staat hoe u zich kunt aanmelden voor het symposium. Graag tot 11 oktober!


dinsdag 21 augustus 2012

Onderwijs en politiek: De stilte na de langstudeerboete

CDA lijsttrekker Van Haersma Buma.
Je zou kunnen denken dat onderwijs weer hoog op de politieke agenda staat en een belangrijk onderwerp vormt in de verkiezingscampagne. Nadat CDA lijsttrekker Van Haersma Buma het vuurtje opstookte door te stellen dat wat hem betreft de langstudeerboete afgeschaft moest worden, lijkt het onderwijs weer helemaal terug als twistpunt in de verkiezingsstrijd. Zendtijd in alle journaals en actualiteitsrubrieken, opiniestukjes in de kranten en spoeddebatten plus een dreigende motie van wantrouwen tegen de staatssecretaris. Waar het naartoe moet met het Nederlandse onderwijs is weer inzet van de verkiezingen!

Volgens mij is niets minder waar. Behalve de aandacht voor de langstudeerboete| heerst er een oorverdovende stilte over het onderwijs in de politieke campagnes. En dat is vreemd. Waar het afgelopen jaar het onderwijs regelmatig (negatief) in het nieuws was (bijvoorbeeld vanwege onze dalende positie op internationale onderwijsranglijstjes, de bezuiniging op het Passend Onderwijs, etc.) blijft het nu stil. Wat zijn de plannen van onze politieke partijen? Wat zijn hun speerpunten wat betreft het onderwijs? Wat is de visie van onze lijsttrekkers over problemen en vraagstukken in het Nederlandse onderwijs? Weet u het? Ik niet.

De aandacht voor de langstudeerboete camoufleert dit schrijnende gebrek aan aandacht voor het onderwijs. Begrijp me goed: ik vind het prima dat de langstudeerboete mogelijk van tafel gaat. Maar is dit nu werkelijk het enige en grootste onderwijsvraagstuk waar we op dit moment mee geconfronteerd worden? Volgens mij niet.

Veel onrust over de bezuinigingen op het passend onderwijs.
Wat te denken van het toenemende aantal onbevoegde docenten in het onderwijs en de gevolgen daarvan op de leerlingen? Of van de leerkrachten in het basisonderwijs die zich steeds vaker geconfronteerd zien met grotere klassen? Of de toetscultuur die in het onderwijs is aan het onstaan, waarbij meer en meer getoetst moet worden, met als ogenschijnlijk voornaamste doel controle (van scholen en docenten) en kwalificatie (van leerlingen)? Of van de trend dat taal en rekenen/wiskunde weer meer gewicht en aandacht krijgen in het onderwijs? Is dat een goede ontwikkeling of gaat dat misschien ten koste van andere kennis en vaardigheden die leerlingen op school leren?

Dit is nog maar een beperkte greep uit onderwijsthema's waarover debat mogelijk is. Hoe kijken onze politieke partijen tegen al deze vraagstukken aan?

Donderdag debatteert de Tweede Kamer weer met staatssecrataris Zijlstra over de langstudeerboete. Er zal heus wel een oplossing gevonden worden. Iedereen een beetje tevreden. En dan? Blijft onderwijs op de verkiezingsagenda? Het antwoord laat zich raden. Na het gekakel en geschreeuw over de langstudeerboete, zal de stilte des te overdonderender zijn.

Wat zou er voor kunnen zorgen dat de discussie verder wordt aangewakkerd? Zou het niet prachtig zijn als, laten we zeggen, de nummer 23 op de lijst van D66 eens olie op het vuur gooit en komt met een ferme uitspraak als: 'Meer gestandaardiseerde tests in het onderwijs? Over my dead body!'. Wat zou er dan een mooie discussie kunnen ontstaan tussen onze aankomende volksvertegenwoordigers over hun visie voor het Nederlandse onderwijs. Ik hoop het van harte. Tot die tijd blijft onderwijs toch een ondergeschikt thema in de verkiezingsstrijd.