dinsdag 7 mei 2013

Vroeger waren we slimmer. Of niet?

Het was een klein bericht op de wetenschapspagina in de NRC van 2 mei. De kop luidde: "Mensen zijn nu slomer dan 100 jaar geleden". Het bericht gaat over een zeer recent gepubliceerd artikel in het blad Intelligence. Auteurs zijn Woodley, te Nijenhuis, en Murphy. Nadat ik contact had gezocht met Woodley en te Nijenhuis ontving ik van hen een preprint van het artikel. De auteurs waren zeer bereidwillig en tonen zich open voor discussie.
Idiocracy
Het artikel trok vooral mijn aandacht omdat het niet zozeer gaat over sloomheid, maar over intelligentie. Onze voorouders in de negentiende eeuw zouden een hoger IQ hebben gehad dan wij. Zo'n bewering is opmerkelijk, want er is redelijk wat consensus over het idee dat we steeds hoger scoren op IQ-tests. De normering daarvan (je score is afhankelijk van wat anderen die op jou lijken scoren op zo'n test) moet elke zoveel jaar worden bijgesteld omdat anders de gemiddelde score op de test niet meer 100 zou zijn. Dat effect is vastgesteld in de jaren 80 door James Flynn en wordt daarom het Flynn effect genoemd. Oorzaken van het Flynn effect zijn onder andere betere voeding, beter onderwijs, en meer hygiene. Kortom: onze leefomstandigheden zijn sterk veranderd. Het onderzoek van Woodley waarover NRC bericht gaat hier lijnrecht tegenin. Het Flynn effect werpt als het ware een rookgordijn op. Weliswaar stijgt het gemeten IQ, maar in werkelijkheid is ons IQ aan het dalen! Dat idee is niet nieuw, want Retherford en Sewell merkten deze mogelijkheid al in 1988 op. De oorzaak zou genetisch van aard zijn, namelijk door dysgenetica (ik leg hieronder uit wat dat is). Dysgenetica is in ieder geval ook het uitgangspunt van de aardige (en ietwat verontrustende) komische film Idiocracy uit 2006.
Tot nu toe kwamen dergelijke opmerkingen voort uit redeneringen en inferenties, maar het ontbrak aan hard bewijs. Dat bewijs denken de auteurs nu te kunnen leveren. Dat zou interessant zijn, want dysgenetica heeft op zijn zachtst gezegd geen goede reputatie; ook is het bewijs voor stijgen dan wel dalen van onze intelligentie zeer tegenstrijdig. UvA-onderzoeker Jan te Nijenhuis, mede-auteur van het paper, noemde het artikel in een email aan mij zelfs een "intellectuele atoombom onder het hele Flynn effect." Een boude bewering, die natuurlijk op de enige scepsis kan rekenen.

Francis Galton (1822-1911)
Het artikel opent met een lofzang op het Victoriaanse tijdperk: een tijd waarin wetenschap en maatschappij tot bloei kwamen, en een tijd van spectaculaire economische groei (in de Westerse wereld, tenminste). De auteurs stellen dat IQ een goede voorspeller van werkprestatie is en dat een populatie met een gemiddeld hogere intelligentie productiever en creatiever zal zijn dan een met een lagere intelligentie. Omdat de Victoriaanse tijd een van productie en creativiteit was is de hypothese dat de Victorianen slimmer waren dan wij. Het is niet het sterkste staaltje logica, maar sluit naadloos bij eerdergenoemde opvatting van Retherford en Sewell aan. De man die het Victoriaanse tijdperk tot in de porieen belichaamt is Francis Galton. Galton, ook wel 'de laatste homo universalis' genoemd, staat aan de basis van uitvindingen als het hondenfluitje, de weerkaart, de vingerafdruk als identificatiemiddel, correlatie en regressie, en eugenetica (ook de bekende uitdrukking 'nature versus nurture' is door Galton bedacht). Eugenetica heeft in de twintigste eeuw een uiterst onprettige bijsmaak gekregen en wordt daarom alom vermeden. Dat de onderzoekers dysgenetica (als theorie enigszins verwant aan eugenetica) als belangrijkste argument gebruiken is daarom opmerkelijk en in zekere zin ook dapper. Jensen, naar wie de auteurs regelmatig verwijzen, liep vroeger onder politiebegeleiding rond. Het is nog maar relatief kort geleden dat dit soort discussies uiterst gevoelig lag, en nog steeds voelt praten over 'genetische verzwakking' nogal ongemakkelijk. Toen Herrnstein en Murray in 1996 in hun boek The Bell Curve de bestaande klassenstructuur toeschreven aan verschil in intelligentie (g) was Amerika te klein.
Omslag The Bell Curve
De theorie en de veronderstellingen zijn duidelijk, maar tot nu toe heeft het altijd aan concreet bewijs ontbroken. Dit artikel stelt het bewijs eindelijk te kunnen leveren. Hoe? Via de door de tijd heen gemeten (gemiddelde) reactietijd. "Reactietijd? Maar wat heeft dat met intelligentie te maken?" denkt u wellicht. Een flink deel van het artikel is erop gericht aan te tonen dat de correlatie (het lineaire verband) tussen 'general intelligence' (g) en reactietijd behoorlijk is (en negatief, want hoe hoger reactietijd, hoe lager g). In het artikel staan verder weinig inhoudelijke argumenten. Dat is jammer, want ik kan me indenken dat niet iedereen onder de indruk zal zijn van het argument dat gemiddeld langere reactietijden (we hebben het over honderdsten van seconden) impliceren dat we 'dommer' zijn geworden. We hebben te maken met de volgende logica:
  1. Als reactietijden langer zijn geworden (vanaf 1880 tot nu) en
  2. Als reactietijd in verband staat met g dan:
  3. g is lager geworden van 1880 tot nu.
Dat klinkt eenvoudig, toch?  Schijn bedriegt! Wat volgt in het artikel is een uitgebreide statistische verhandeling die taai is, heel taai. Grondige kennis van meta-analyse is een vereiste, want je verdwaalt makkelijk in de 'benchmark estimates' en 'random-effects meta regression'. Ik dacht zelf een fout in de berekeningen te hebben gezien (er werd gebruik gemaakt van een correlatie r als percentage verklaarde variantie, terwijl dat volgens mij r2 moest zijn), maar de eerste auteur liet me per kerende post weten dat dit bij meta-analyse juist wel de gewoonte is! Ik moet me daarom beperken tot een kort overzicht van de beschrijving, waarna ik mijn conclusies zal trekken.

De auteurs betrekken in hun meta-analyse 16 studies: de eerste stamt uit 1889, de laatste uit 2006 (de data waar het om gaat is rond die tijden ook verzameld). Op die studies wordt van alles toegepast om de data ervan goed met elkaar vergelijkbaar te maken. Dat is de essentie van meta-analyse: het wegen van onderzoeksdata. Een kleine studie is onbetrouwbaarder dan een grote, en legt daarom een wat kleiner gewicht in de schaal (dit is ook meteen hoe ver de uitleg in het statistiekboek van Field gaat). Als je dan het jaartal van de studie (x-as) afzet tegen het effect (de reactietijd, y-as) krijg je onderstaand plaatje.


In de grafiek zijn grote stipjes grote studies en kleine stipjes kleine. De lijn is een regressielijn die gebaseerd is op een 'random-effects meta-regression model'. Je ziet: reactietijd stijgt door de jaren heen, maar ook: 1) er zijn vrij weinig datapunten en 2) er zijn nogal wat afwijkingen van de lijn af.
Wat is de correlatie tussen reactietijd en intelligentie? Een studie uit 2001 suggereert een correlatie van -0,31 - vrij klein dus. Het artikel besteedt ruim een pagina aan het verzamelen van 'correctiefactoren' om dit getal bij te stellen. De argumenten in dat stuk zijn buitengewoon lastig te volgen, maar het komt er telkens op neer dat je op verschillende manieren het verband tussen reactietijd en intelligentie in onderzoek telkens iets te laag inschat. Dat leidt tot een stapeling van 4 correctiefactoren. Als je die toepast op de correlatie van -0,31 kom je uiteindelijk uit op een 'echte' correlatie van -,54. Dat is niet denderend, maar wel een stuk beter natuurlijk. De auteurs stellen dat zij daarmee aantonen dat reactietijd 54 procent van g meet (en ik kreeg dit bevestigd van de eerste auteur). Als je dit toepast op de regressie die je in het plaatje ziet, dan kun je daaruit afleiden (op een manier die ik wederom niet goed kan volgen) dat g gedaald is in iets meer dan 100 jaar met 14 IQ-punten, oftewel 1,23 IQ-punten per decennium: we zijn dommer geworden!
De vraag is natuurlijk: hoe komt het dat onze reactietijd omhoog is gegaan als je studies met elkaar vergelijkt. De dysgenetische verklaring is dat meer mensen met een relatief slechte gezondheid ouder worden dan vroeger. Die mensen maken deel uit van de groepen die meedoen aan onderzoek. Het zou kunnen, maar er zijn nogal wat 'artefacten' die de gegevens lastiger interpreteerbaar maken. Zo wordt hier gebruik gemaakt van gemiddelde reactietijden. Reactietijden zijn 'scheef verdeeld' en daarom is de mediaan eigenlijk informatiever. Maar de mediaan wisten de auteurs niet voor alle studies, en daarom gebruiken ze die niet. Daarnaast hangt de analyse van schattingen aan elkaar. Door het stapelen van geschatte getallen kan de uiteindelijke schatting er best ver naast zitten. Of het echt om een daling van 14 IQ-punten gaat is dus maar de vraag. Tenslotte kun je vraagtekens zetten bij een daling van het IQ en 'cleverness'. Wat drukt IQ nu eigenlijk echt uit? In dit artikel wordt het bestaan van g als vaste waarde voor 'algemene intelligentie' gewoon verondersteld, maar recente intelligentiemodellen beslaan veel meer dan louter 'g'. Dit alles maakt dat ik er niet van overtuigd ben dat de Victorianen veel slimmer waren dan wij - maar misschien ben ik niet slim genoeg om het te begrijpen.
Vooralsnog heeft de 'bom' onder het Flynn-effect op mij meer het effect van een gillende keukenmeid.

Bronnen
  • Field, A. (2013). Discovering statistics using IBM SPSS Statistics. Sage. 
  • Herrnstein, R.J., & Murray, C. (1996). The Bell Curve: Intelligence and class structure in American life.
  • NRC (2 mei 2013). "Mensen zijn nu slomer dan 10 jaar geleden."
  • Retherford, R. D., & Sewell, W. H. (1988). "Intelligence and family size reconsidered." Social Biology, 35, 1−40. 
  • Thompson, J. (2013). The Victorians were cleverer than us! http://drjamesthompson.blogspot.nl/2013/04/the-victorians-were-cleverer-than-us.html
  • Woodley, M.A., te Nijenhuis, J., & Murphy, R. (2013). Were the Victorians cleverer than us? The decline in general intelligence estimated from a meta-analysis of the slowing of simple reaction time. Intelligence.  doi:10.1016/j.intell.2013.04.006

Aanvulling (16-5-2013): een Engelse blogpost over het artikel is ook skeptisch, en doet de intrigerende suggestie het reactietijdapparaat dat door Francis Galton werd ontwikkeld na te bouwen. Wie pakt de handschoen op?

20 opmerkingen:

  1. Hartelijk dank !
    Ik vroeg me nog af in hoeverre de meetmethode en nauwkeurigheid van reactietijden een rol zou kunnen spelen.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Daar wordt in de discussie wel wat over gezegd. Het kan een probleem zijn, met name de data van Galton is onzuiver. Maar het is geen groot probleem want... en daar snap ik alweer het argument niet. Dat n vrij groot is en dan de reactietijden ook weer niet zo ver afwijken van anderen die betere meetmethodes gebruikten (de Hipp chronoscoop bijvoorbeeld).

      Verwijderen
    2. Jan te Nijenhuis13 mei 2013 om 02:28

      Beste Gerard Kooistra,
      dank voor de interesse in het onderzoek. Je maakt een goed punt: de betrouwbaarheid van de meetmethoden heft in honderd jaar een sterke verbetering meegemaakt. Galtons maten waren heel onbetrouwbaar, en leidden er toe dat de correlaties met prestaties zo laag waren dat Galton met zijn onderzoek stopte.
      Echter, in ons onderzoek werken we met gemiddelden, zodat verschillen in betrouwbaarheid tussen de studies geen rol spelen.

      Verwijderen
  2. Correlatie tussen X en Y en tussen Y en Z zegt weinig over correlatie tussen X en Z. Zie bijv:
    -2 2 1
    -1 0 1
    0 -1 -2
    1 1 2
    2 -2 0
    r(X,Y)=-0,7; r(Y,Z)=0,63; r(X,Z)=-0,1

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Jan te Nijenhuis13 mei 2013 om 02:32

      Tsja, een beetje spelen met statistiek en extreme voorbeelden die bijna nooit voorkomen, daar schiet je vaak niet zoveel mee op. Je helpt de wetenschappelijke discussie veel beter vooruit door X, Y en Z bij naam te noemen en in een theoretisch kader te plaatsen.

      Verwijderen
  3. Jan te Nijenhuis8 mei 2013 om 07:50

    Geachte dr. Hulshof,

    Mijn vriendelijke dank dat u aandacht besteed aan het artikel dat ik samen met dr. Michael Woodley en dr. Raegan Murphy heb geschreven en dat vandaag op de site van ‘Intelligence’ is verschenen. Jammergenoeg slaat u op meerdere onderdelen de plank nogal mis, zodat ik me gedwongen voel een en ander recht te zetten.
    Nederlanders zijn het langste volk ter wereld. Maar, als kleine Nederlandse vrouwen veel kinderen zouden krijgen en lange Nederlandse vrouwen weinig kinderen zouden krijgen, dan wordt over de generaties heen het Nederlandse volk steeds kleiner. Hetzelfde geldt voor intelligentie. Als benedengemiddeld intelligente vrouwen meer kinderen krijgen dan bovengemiddeld intelligente vrouwen dan zakt de genetische intelligentie. En het is een feit: benedengemiddeld intelligente vrouwen krijgen inderdaad meer kinderen. Dan verwacht je dat een vrij mooie maat voor intelligentie, die stabiel blijft over generaties, de reactietijd steeds trager wordt. En dat bleek inderdaad uit onze meta-analyse, gebaseerd op de complete wereldliteratuur op dit gebied.
    Kort samengevat: je hebt mindere kwaliteit pootgoed, maar de verzorging is veel beter. Dus, de reactietijden worden trager, maar de IQ-scores gaan omhoog.
    U schrijft dat we weinig inhoudelijke argumenten geven voor ons standpunt dat reactietijden een acceptabele maat zijn voor intelligentie. Nou breekt mijn klomp! Er is meer dan een eeuw intensief onderzoek gedaan naar reactietijden als intelligentiematen. We verwijzen naar een aantal recente, veelgeciteerde boeken op dit gebied.
    U schrijft dat onze Methode-sectie pittig is en dat is geheel correct. We gebruiken meta-analytische technieken uit de school van Frank Schmidt en John Hunter. Je gaat er vanuit dat geen enkele studie perfect uitgevoerd is, maar dat je een goede poging kunt doen die imperfecties te corrigeren. Grote studies zijn beter dan kleine studies, dus je hecht meer gewicht aan grote studies. Alle correlaties zijn verzwakt omdat je meetinstrumenten onbetrouwbaar zijn: correlaties gebaseerd op onbetrouwbare instrumenten krijgen dan een grote correctie en correlaties gebaseerd op betrouwbare instrumenten een kleine correctie. Sommige studies zijn uitgevoerd in landelijk representatieve groepen, terwijl andere studies gebruik maken van een klein clubje studenten, allemaal met een hoog IQ. Het is al bijna een eeuw bekend, dat deze ‘restriction of range’ dodelijk is voor je correlaties, en er zijn allemaal formules om hiervoor te corrigeren. In honderden meta-analyses in de arbeids-en organisatiepsychologie is dit soort correcties al tientallen jaren toegepast.
    Uw interpretatie van de uitkomsten van onze meta-analytische regressie slaat de plank volledig mis. We hebben geen kleine meta-analyse, maar een redelijk grote met 16 verschillende studies van 1889 tot 2004, en veel van de studies zijn van flinke omvang. Inderdaad, er zijn afwijkingen van de regressielijn, maar dat is volkomen normaal. Dat is precies wat de meta-analytische theorie voorspelt. Als alle punten precies op de regressielijn zouden liggen zou je de vraag kunnen stellen of Diederik Stapel wellicht de data had aangeleverd …
    U maakt een punt van dat onze reactiemaat 0,54 correleert met de algemene intelligentiefactor, de g-factor, dat zou laag zijn. Maar de subtests van de veelgebruikte Wechsler-intelligentiebatterijen laten gemiddeld een zelfde correlatie met de g-factor zien. Met andere woorden, de reactietijdentests kunnen probleemloos in de Wechsler-batterij opgenomen worden.
    Tot slot, hoe goed is onze schatting van 14 punten verlaging van de genetische intelligentie? Inderdaad, die is gebaseerd op een flink aantal schattingen, zoals we zelf in het artikel ook opmerken. Het zou me niet verbazen als nieuwe studies met een lagere waarden komen – misschien maar 10 punten omlaag. Het zou me ook niet verbazen als nieuwe studies met hogere waarden komen – misschien wel 17 punten omlaag. Ik hoop dat andere onderzoekers de handschoen oppakken en nieuw onderzoek uit gaan voeren.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Ik heb het oorspronkelijke artikel niet gelezen, maar op basis van deze blog en de reactie van de heer te Nijenhuis blijf ik toch met een aantal punten zitten.

    1) Wat werd er eigenlijk precies gemeten bij de onderzoeken naar de reactietijd? Ging dit over de reactie op moeilijke, intellectuele vragen of over de reactie op tamelijk simpele verschijnselen zoals een visuele stimulus? Op basis van de korte reactietijden gok ik dat het om tamelijk basale reacties gaat.

    2) De link tussen reactietijd en intelligentie wordt gelegd op basis van de studie uit 2001. Deze studie is dus een tamelijk essentieel onderdeel in dit hele verhaal. In die studie wordt gesuggereerd dat er een (kleine) negatieve correlatie is. Ik ben benieuwd wat voor reactietijd zij dan hebben gemeten (reactie op wat en was dat hetzelfde als bij punt 1?) en hoe ze dan intelligentie hebben gedefinieerd en gemeten. Was dit ook een metastudie, of was dit een kleine studie?

    3) Ik neem aan dat deze correlatie alleen geldt voor de mens. Of moeten we nu ook concluderen dat een vlieg ontzettend veel intelligenter is dan de mens. Zelfs binnen onze soort wordt het interessant. Persoonlijk denk ik dat de gemiddelde hoogleraar in Nederland een tragere reactietijd heeft dan de gemiddelde professionele voetballer in Nederland. Wat zal ik hier nu uit concluderen?

    Mijn eigen vakgebied is informatica en daar zie je best vaak dat de meest intelligente oplossing niet de snelste is. Er zijn hele simpele microcontrollers die maar 1 ding kunnen en die kunnen dat heel erg snel. Er zijn ook hele geavanceerde microcontrollers die over tal van mogelijkheden beschikken, maar dat gaat vaak ten koste van snelheid. Misschien zijn we als soort inmiddels zo complex (intelligent) geworden dat het gewoon allemaal wat trager gaat...

    Ik ben in ieder geval erg benieuwd naar het uiteindelijk artikel van Woodley, te Nijenhuis, en Murphy.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Jan te Nijenhuis9 mei 2013 om 23:43

      Beste Wilco,

      mijn vriendelijke dank voor je interesse in Woodley, M.A., te Nijenhuis, J., & Murphy, R. (in press). Were the Victorians cleverer than us? The decline in general intelligence estimated from a meta-analysis of the slowing of simple reaction time. Intelligence.
      Intelligence is een toptijdschrift. Je kunt het artikel simpelweg vinden in elke universiteitsbibliotheek in Nederland.

      1) We meten simpele visuele reactietijden, uitgedrukt in milliseconden. In de tijd van Galton scoorden de mensen gemiddeld 194,06 ms en nu scoren we gemiddeld 275,47 ms, een forse achteruitgang. Traditioneel wordt de intelligentie bepaald met intelligentiebatterijen, met zo’n 10 verschillende subtests die gebruik maken van taal, rekenen, geheugen en ruimtelijke vermogens om te kijken hoe snel je informatie kunt verwerken. Dat resulteert in een totaalscore, die zeer hoog correleert met de totaalscore gebaseerd op een aantal verschillende reactietijdentests.

      2) Ik merk dat je het artikel niet gelezen hebt. Er is een enorme literatuur over reactietijden en intelligentie, die een duidelijke correlatie laat zien. De studie van Deary, Der, & Ford (2001) gebruikten we o.a. om de spreiding in de bevolking te schatten. Veel van de studies in onze meta-analyses werden uitgevoerd op groepjes studenten met een sterk vergelijkbaar IQ, zodat de spreiding in intelligentie heel beperkt is.

      3) In plaats van een eind in het wilde weg te speculeren kun je beter ons artikel downloaden en lezen. Je zult zien dat je dan allerlei verschillende soorten reactietijden en allerlei verschillende definities van intelligentie door elkaar haalt.

      Verwijderen
  5. Jan te Nijenhuis10 mei 2013 om 01:12

    Voor de geinteresseerden: professor Bruce Charlton heeft een iets verkorte versie van ons artikel op zijn website gezet.
    http://iqpersonalitygenius.blogspot.nl/
    Nota Bene: Professor Charlton kwam in een korte blog met het idee dat Woodley, te Nijenhuis, & Murphy in hun paper in Intelligence netjes uitgewerkt hebben.

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Helemaal snappen doe ik het niet. Ik begrijp dat mensen de testen wel beter maken, maar er langer over doen. Zou kunnen, want scholen doen tegenwoordig wat minder aan het "automatiseren". De tafels hoger dan 12 worden bij mijn weten niet meer geleerd.

    Iets anders is dit:
    De auteurs stellen dat IQ een goede voorspeller van werkprestatie is en dat een populatie met een gemiddeld hogere intelligentie productiever en creatiever zal zijn dan een met een lagere intelligentie.

    Dat valt wel sterk te betwijfelen. Door automatisering verandert de aard van het werk sterk. Dat betekent dat nu andere vaardigheden worden gevraagd dan 50 jaar geleden. Of de correlatie met intelligentie en dus "productiviteit" en "creativiteit?" gelijk is gebleven betwijfel ik.

    BeantwoordenVerwijderen
  7. Jan te Nijenhuis13 mei 2013 om 02:42

    Beste Piet,
    dank voor je interesse in onze studie.
    1) Je eerste punt klopt niet. Mensen maken tegenwoordig IQ-tests dramatisch beter, maar hun reactietijden zijn dramatisch slechter. Je halt die twee zaken door elkaar.
    2) Een interessante hypothese: is over tientallen jaren heen de voorspellende waarde van IQ-tests gelijk gebleven. Frank Schmidt heeft over de voorspellende waarde van IQ-tests klassieke meta-analyses gepubliceerd. In een gesprek vertelde hij me dat de predictieve waarde niet veranderd was over de tijd heen. De voorspellende waarde van IQ voor meer dan 60% van de functies is MINIMAAL .51. Dat betekent dat werk behoorlijk cognitief complex is.
    Je zou de hypothese kunnen toetsen in een meta-regressive met jaartal op de x-as en de predictieve validiteit van de IQ-tests op de y-as.

    BeantwoordenVerwijderen
  8. Beste Jan,

    1)Volgens mij schrijf ik dat ook. Betere testen, maar doen er langer over. Mogelijk omdat er steeds minder wordt geautomatiseerd op scholen. (Het stampwerk dus.)

    2)Heeft volgens mij geen zin als je geen rekening houdt met de aard van de verandering. Het zou mij niet verbazen dat toekomstige carrières steeds minder met techniek of economie te maken hebben. Steeds minder mensen doen in deze hoek steeds meer. (Productiviteit en cost cutting)

    Iets anders is dat steeds meer organisaties wanhopig op zoek zijn naar nieuwe invalshoeken en productcombinaties. En lang niet altijd in de klassieke maak-industrie.

    Andersom. Het lijkt erop alsof bepaalde vaardigheden, waaronder het maken van iq-testen prima door computers kan worden gedaan en dat daardoor de vraag naar "originaliteit" wil eens anders kan liggen dan in de vorige eeuw.


    BeantwoordenVerwijderen
  9. Jan te Nijenhuis13 mei 2013 om 22:20

    Beste Piet,
    1) voor het maken van IQ-tests staat een afgebakende tijd en in die afgebakende tijd halen mensen nu een hogere score. Voor reactietijdentests staat geen afgebakende tijd en op die tests zijn mensen juist trager geworden.

    BeantwoordenVerwijderen
  10. Dus in 1888 kon al betrouwbaar gemeten worden in milliseconden ? Hoe dan ? Dit is geen flauwe vraag, het antwoord kan ik niet vinden met zoekmachines.

    BeantwoordenVerwijderen
  11. Jan te Nijenhuis15 mei 2013 om 06:30

    Beste 'Anoniem',
    dank voor je interesse in ons onderzoek.
    In ons artikel beschrijven we hoe we gebruik maken van een meta-analyse uit 2010 over de historische trend in reactietijden door de Amerikaanse hoogleraar Irvin Silverman; hij is een expert op het gebied van moderne en klassieke apparaten om reactietijden te meten. Professor Silverman heeft zijn expertise gebruikt om de oude studie van Galton uit 1888 netjes te vergelijken met de vele studies daarna, waarbij verschillende, maar vergelijkbare instrumenten werden gebruikt. Silverman, I. W. (2010). Simple reaction time: It is not what it used to be. American Journal of Psychology, 123, 39-50.geeft alle originele studies in zijn referentiesectie. Deze originele studies geven vaak een beschrijving van de instrumenten die ze gebruikten. Je zult dus door moeten zoeken.
    De oude instrumenten waren minder betrouwbaar dan de meer recente instrumenten. Galton kon met zijn instrumenten voor simple reactietijden ook geen goed onderscheid maken tussen slimme en minder slimme mensen, zodat hij dacht dat reactietijd niet samenhing met intelligentie. Francis Galton, een genie in het kwadraat, had echter nog niet bedacht dat de zwakke verbanden veroorzaakt werden door de onbetrouwbaarheid van zijn metingen. Echter, die verschillen in betrouwbaarheid maken voor ons onderzoek niets uit, want we gebruiken gemiddelden voor groepen en veel van de groepen zijn van een flinke omvang.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Hallo Jan,
      Dank voor je antwoord.
      Het komt er dus eigenlijk op neer dat de onbetrouwbare metingen die rond 1880 gedaan konden worden, in die tijd, een indicatie geven van

      de reactie snelheid.
      En als uit de betrouwbare metingen van nu blijkt dat die snelheid gemiddeld lager is, dan zijn die twee sets metingen wel met elkaar te

      vergelijken.

      Vervolgens duikt er weer een andere vraag op: topsporters moeten heel snel kunnen reageren.
      Waarom worden die geen professor, ofzo, na hun actieve carrière?
      Natuurlijk kan ik die vraag ook anders formuleren door te refereren aan het bijvoorbeeld het taalgebruik van de gemiddelde topsporter

      tijden televisie optredens of interviews, maar ja, dat is ook weer zo wat .

      En nog een kleine opmerking: in je artikel staat:
      " Tenslotte kun je vraagtekens zetten bij een daling van het IQ en 'cleverness'. ".
      Ik denk dat als je 'cleverness' in het Nederlands zou vertalen, zeker in de context van het artikel, dan het woord 'slim' of 'slimheid'

      het meest correct zou zijn.
      Zelf maak ik altijd onderscheid tussen 'slim' en 'intelligent'.
      Dat leidt tot veel vraagtekens bij mij als ik weer naar de titel van het artikel kijk, waarin het woord 'slimmer' gebruikt wordt.

      Dus is die 'gillende keukenmeid' slim of intelligent ;-?

      Verwijderen
  12. Jan te Nijenhuis16 mei 2013 om 05:08

    Beste 'Anoniem',

    voor wat betreft voetballers: ik zou zeggen,verzamel een flinke steekproef en neem ze een paar reactietijdtaken af en een goede IQ-batterij. Dan kunnen we de discussie voortzetten op basis van feiten.
    Overigens, in onze studie berekenenen we een correlatie van .54 tussen scores op een eenvoudige reactietijdtaak en intelligentie. Dat is een stevige correlatie, maar aan de andere kant is het zeker geen perfect verband. Met andere woorden, je hebt een regel met veel uitzonderingen.
    Van voetballers naar boksers. Cassius Clay had, heb ik eens gelezen, een hele snelle reactietijd, en een lage score op een IQ-test. Toch had hij een grote creativiteit met woorden. Was Clay wellicht dyslectisch? Een studie met N = 1.[Losse speculatie]

    BeantwoordenVerwijderen
  13. Vraag me af of er ook gekeken is naar de invloed van de afname van de algehele fitheid en fysieke alert-heid, bv als gevolg van 'over'-voeding en ook aard van ons werk.

    Ter illustratie (..)
    Een jager van bv 4000 jaar geleden had waarschijnlijk een hogere reactie snelheid..

    BeantwoordenVerwijderen
  14. Jan te Nijenhuis18 mei 2013 om 03:55

    Beste 'Anoniem',
    ik heb een paar jaar gewerkt als senior onderzoeker personeelsselectie bij het Ministerie van Defensie. Daar is wel consensus dat de huidige begin twintigers een veel slechtere conditie hebben dan twintigers uit vorige generaties.
    Het overgewicht in Nederland neemt sterk toe, vooral onder minderheden, en overgewicht is dramatisch slecht voor de algemene fitheid.

    BeantwoordenVerwijderen
  15. Jan te Nijenhuis18 mei 2013 om 22:14

    Voor de liefhebbers: een interview van Peter de Bie en Mieke van der Weij op Radio 1 van zaterdag 18 mei.
    http://www.radio1.nl/items/78526-intelligentie-westerse-bevolking-neemt-af

    BeantwoordenVerwijderen